Door Dr. J.A.H. (Bart-Jan) Heine
1. Systeem onder druk
Nederland verkeert in een systeemcrisis dat ons unieke samenlevingsmodel onder druk zet. Die crisis uit zich in een stapeling van problemen — van woningnood, migratie tot criminaliteit, stikstof en de toeslagenaffaire — maar gaat verder dan afzonderlijke beleidskwesties. De kern ligt dieper: in een bestuurlijk en politiek systeem dat steeds minder in staat is om te leveren, te luisteren en richting te geven.
Het gevolg is een breed maatschappelijk onbehagen. Het vertrouwen in instituties staat onder druk, de polarisatie verdiept zich en bij burgers én bestuurders groeit het gevoel de grip op maatschappelijke ontwikkelingen te verliezen. Wat lange tijd werd gezien als incidenteel falen, moet inmiddels worden begrepen als een structurele systeemcrisis.
Dat dit geen louter gevoel van verval is, wordt bevestigd door uiteenlopende analyses. Studies over regionale ongelijkheid en maatschappelijk onbehagen, rapporten van het SCP over afnemend vertrouwen en analyses van de WRR over afnemend grip op het leven schetsen een consistent beeld. Ook de parlementaire onderzoeken naar de toeslagenaffaire en de gaswinning in Groningen, evenals het rapport van de Commissie Remkes over het stikstofbeleid, hebben het zelfbeeld van Nederland als zorgvuldig en goed bestuurd land ingrijpend doen kantelen.
Burgers, boeren en ondernemers lopen herhaald vast in een bestuurlijk systeem dat onvoldoende responsief is. Kritiek daarop wordt niet zelden geframed als onverantwoord of als een bedreiging voor de rechtsstaat, waardoor noodzakelijke reflectie en politieke heroriëntatie worden vermeden. Juist dit mechanisme, dat falend bestuur afschermt tegen kritiek, benadrukt de diepte van de crisis.
Tegelijkertijd is een heroriëntatie zichtbaar, met name onder jongere generaties, op conservatieve waarden. Niet in de vorm van nostalgisch verlangen, maar als herwaardering van gemeenschap, geloof en tradities die houvast en betekenis geven. Deze ontwikkeling kan worden begrepen als reactie op een bredere existentiële onzekerheid, waarin vragen over identiteit en verbondenheid opnieuw op de voorgrond treden — zowel individueel als in relatie tot de inrichting van de samenleving.
2. Nieuwe maatschappelijke breuklijnen
De systeemcrisis gaat gepaard met nieuwe maatschappelijke breuklijnen. Ze lopen minder langs klassieke sociaaleconomische tegenstellingen en vaker langs opleiding. Nederland ontwikkelt zich in toenemende mate tot een diplomademocratie, waarin hoogopgeleiden structureel domineren in politiek, media en beleidsvorming. Met ingrijpende gevolgen voor sociale cohesie en democratisch functioneren.
Er tekent zich een breuklijn af tussen de leefwerelden, waarden en prioriteiten van de maatschappelijk-culturele bovenlaag en brede groepen burgers daarbuiten. Waar binnen de bovenlaag thema’s als diversiteit en duurzaamheid centraal staan, draait het voor veel burgers in de eerste plaats om bestaanszekerheid: financieel rondkomen, betaalbare boodschappen, een fatsoenlijke woning en toegankelijke zorg.
De kloof volgt uit verschillende ervaringen van maatschappelijke verandering. Voor wie beschikt over de juiste diploma’s, netwerken en vaardigheden opent verandering vaak kansen; voor wie dat minder heeft voelt het als bedreiging. De politiek slaagt er nauwelijks in deze spanning te adresseren, waardoor het onbehagen blijf
De tegenstelling verdiept zich doordat de beleidsbepaling in toenemende mate plaatsvindt binnen een technocratische systeemwereld, geboetseerd rond de ideeën, taal en prioriteiten van de hoogopgeleide bovenlaag. Deze systeemwereld raakt los van de leefwereld van praktisch geschoolden en wordt door dezelfde bovenlaag omarmd als legitimatie voor politieke keuzes of het blokkeren van alternatieven. Dat is zichtbaar in dossiers als stikstof, migratie en de verengelsing van het onderwijs.
Deze ontwikkeling wordt versterkt door de groei van supranationale instituties en het op afstand plaatsen van publieke taken. Macht vloeit uit het politieke centrum naar een complex netwerk van ongekozen actoren. Wanneer de samenleving om een andere koers vraagt, verschuilt de politiek zich achter vermeende juridische en beleidsmatige onvermijdelijkheden.
3. Technocratie en vervreemding
De opkomst van de technocratische systeemwereld is geen louter bestuurlijke ontsporing en evenmin een neutraal antwoord op toenemende complexiteit. Zij is nauw verbonden met het dominante progressief-liberale mensbeeld, waarin het individu wordt opgevat als een autonome, rationele actor die primair eigen belangen nastreeft en moet worden bevrijd van beklemmende verbanden. Vrijheid betekent hier het loskomen: van culturele normen, burgerplichten en zelfs de beperkingen van de natuur, om zo als autonoom individu de essentie van het bestaan – visie op het leven – te bepalen.
Dit mensbeeld heeft diep doorgewerkt in de inrichting van bestuur en beleid. Wanneer de staat zich moreel neutraal wil opstellen ten opzichte van uiteenlopende levensvisies, resteert een bestuurslogica die zich uitdrukt in abstracte rechten, uniforme normen en juridische procedures. Politieke en maatschappelijke vragen over de inrichting van de samenleving worden zo vertaald naar technische vraagstukken, te beslechten door experts, rechters, modellen en toezichthouders. Wat eerder onderwerp was van democratische afweging, verschijnt steeds vaker als onvermijdelijke uitkomst van ‘het systeem’.
De technocratische orde is geen neutraal fenomeen, maar de institutionele consequentie van het progressief-liberale project. Het groeiende maatschappelijke onbehagen moet daarom worden begrepen als meer dan onvrede over specifieke beleidsuitkomsten. Het is de uitdrukking van een vervreemding van een politiek-sociale orde die onvoldoende aansluit bij de ervaringen, intuïties en verwachtingen van grote delen van de bevolking. Zeker wanneer het gevoel ontstaat dat de waarden van een progressief-liberale bovenlaag als onvermijdelijk worden gepresenteerd, komt de legitimiteit van de gehele orde onder druk te staan.
Deze vervreemding uit zich op verschillende manieren. Enerzijds in scherpe, soms ontwrichtende populistische reacties, waarin wantrouwen en revanchisme domineren. Anderzijds — en mogelijk fundamenteler — in het stille afhaken van brede middengroepen. Burgers die zich niet herkennen in radicale alternatieven, maar ook niet langer het gevoel hebben dat de bestaande politiek nog van hen is. Deze middengroepen vormen de dragende pijler van een stabiele democratie. Hun terugtrekking is geen randverschijnsel, maar een waarschuwing , en tijdelijk electoraal herstel van ‘het midden’ lost dit niet automatisch op.
4. Een sociaal-conservatieve herordening
De huidige crisis vraagt om meer dan enkele beleidswijzigingen. Nodig is een architectonische kritiek op het politieke en maatschappelijke bouwwerk: de aannames, waarden en machtsverhoudingen die zich hebben vastgezet. Het is de vraag of een dergelijke heroriëntatie kan voortkomen uit het bestaande bestuurlijke midden; daarvoor lijken de belangen te groot en denkpatronen te diep ingesleten. Een realistische tegenbeweging is noodzakelijk.
Die tegenbeweging veronderstelt een politieke heroriëntatie. Weg van een eenzijdige focus op de beter gesitueerden, richting een politiek die het welzijn van de gehele samenleving weer als uitgangspunt neemt. Weg van technocratisch bestuur, naar een politiek waarin burgers niet als abstracte actoren of cliënten, maar als deelnemers aan de publieke zaak worden benaderd. Democratie is dan niet slechts een procedure, maar veel meer een praktijk van samenleven.
Daarmee samenhangend is een herwaardering van democratische instituties onontkoombaar. Grote maatschappelijke vraagstukken vragen politieke afweging en gedeeld draagvlak, in plaats van besluitvorming op afstand door ongrijpbare machtsconstellaties. Ook het publieke domein vraagt om herbezinning: taken dienen dichter bij gemeenschappen en professionals te worden georganiseerd, met ruimte voor vakmanschap en menselijke maat.
Voor deze herordening kan worden geput uit sociaal-conservatieve en christendemocratische denktradities, waarin gemeenschap, verantwoordelijkheid en een relationeel mensbeeld centraal staan, niet als nostalgie maar als democratisch alternatief voor een politiek-sociale orde die haar legitimiteit geleidelijk kwijtgeraakt.