Wat de situatie van Caribische Nederlanders zegt over migratie, integratie en draagkracht
Wie vanuit de bijzondere Nederlandse gemeenten Bonaire, St. Eustatius en Saba (de BES-eilanden) of de zelfstandige landen Curaçao, Aruba of Sint-Maarten naar Nederland verhuist, doet dat als Nederlands staatsburger. Er is vrij verkeer binnen het Koninkrijk; geen visa, geen verblijfsvergunningen, geen inburgeringsexamens. Toch blijkt in de praktijk dat Caribische Nederlanders bij aankomst in Nederland vaak tegen vergelijkbare — en soms grotere — obstakels aanlopen dan andere migranten.
Zoals directeur Lionel Martijn van Stichting Ocan het verwoordt: “Wij zijn rijksgenoten. Er is vrij verkeer binnen het Koninkrijk. Maar zodra mensen hier aankomen, worden ze behandeld alsof ze emigranten zijn, maar zonder dat er iets voor hen geregeld is.”
Die spanning tussen formeel burgerschap en feitelijke uitsluiting vormt het vertrekpunt van dit artikel. Op basis van een interview met directeur Lionel Martijn en beleidsmedewerker Xavier Donker, laat deze casus zien hoe kwetsbaar integratie wordt wanneer beleid primair uitgaat van zelfredzaamheid en administratieve gelijkheid en er geen oog is voor specifieke omstandigheden.

Een organisatie tussen overheid en gemeenschap
Stichting Ocan (voorheen bekend als Overlegorgaan Caribische Nederlanders/OCaN) bestaat inmiddels veertig jaar. Tot 2014 was de organisatie een formeel overlegorgaan van de overheid onder de Wet Overlegorgaan Minderheden . Met de intrekking van die wet verdween ook de structurele financiering.
“Sinds 2014 hebben we geen vaste subsidie meer,” aldus Martijn. “Ironisch genoeg zijn we later als beste beoordeeld op doelmatigheid en effectiviteit. Dat leidde tot nul euro subsidie.”
Ocan is sindsdien afhankelijk van projectfinanciering en samenwerkingen. Tegelijkertijd fungeert de organisatie nog altijd als aanspreekpunt voor overheden, gemeenten en maatschappelijke instellingen wanneer het gaat over Caribische Nederlanders. Die paradox — wel geraadpleegd, maar niet structureel ingebed — is illustratief voor een bredere beleidsontwikkeling: expertise wordt afgebouwd, terwijl de uitvoeringsproblemen toenemen.
Veel Caribische Nederlanders wenden zich eerder tot maatschappelijke organisaties dan tot gemeenten. Juist daar vinden zij herkenning, culturele sensitiviteit en praktische ondersteuning.

Wanneer expertise en financiering uit elkaar vallen
Een illustratief voorbeeld van deze scheefgroei komt uit de dagelijkse praktijk. Regelmatig wordt de organisatie benaderd door grote welzijnsinstellingen die een gemeentelijke aanbesteding hebben gewonnen voor schuldhulpverlening of begeleiding van kwetsbare inwoners. In theorie beschikken deze organisaties over ruime middelen en een breed werkgebied. In de praktijk blijken zij echter onvoldoende toegerust om Caribische Nederlanders met meervoudige problematiek te begeleiden.
“Wij krijgen mensen doorgestuurd omdat men er simpelweg niet uitkomt,” aldus Martijn. “Dan gaat het om iemand zonder BSN, met schulden, zonder woning, die het systeem niet begrijpt en het vertrouwen in instanties kwijt is.” Een van de meer dan vijftig vrijwilligers van Ocan neemt de begeleiding vervolgens op zich: registratie bij de gemeente, uitleg over toeslagen, bemiddeling richting werk en ondersteuning bij schulden. Dat traject is intensief, langdurig en vraagt specialistische kennis van zowel het Nederlandse systeem als de Caribische context.
Voor deze inzet ontvangt Ocan doorgaans geen structurele vergoeding. De organisatie handelt uit humanitaire overwegingen en om te voorkomen dat mensen volledig buiten beeld raken. Tegelijkertijd blijven de middelen bij de instellingen die formeel verantwoordelijk zijn, maar de benodigde expertise missen. Het resultaat is een omgekeerde wereld: de organisatie met de kennis en het vertrouwen van de doelgroep draait op voor de uitvoering, terwijl de financiering volgt waar de procedurele capaciteit zit. Het huidige subsidiestelsel is daardoor niet alleen inefficiënt, maar werkt ook ondermijnend voor de organisaties die het dichtst bij de samenleving staan.

Strategische agendering
Naast de uitvoerende en signalerende rol van Ocan is er ook een duidelijke agenderende functie. Beleidsmedewerker Xavier Donker houdt zich bezig met het onder de aandacht brengen van de positie van Caribische Nederlanders bij politieke en maatschappelijke organisaties, zowel nationaal als internationaal. Daarbij gaat het niet alleen om concrete problemen in de uitvoering, maar ook om bewustwording van structurele ongelijkheid binnen het Koninkrijk.
Via het Europese netwerk ENAR (European Network Against Racism) werkt Donker samen met maatschappelijke organisaties uit andere EU-landen aan thema’s als discriminatie, politieke participatie en institutionele uitsluiting. Die Europese invalshoek maakt het mogelijk om ervaringen van Caribische Nederlanders in een bredere context te plaatsen en om Nederlandse praktijken internationaal te vergelijken.
Deze internationale samenwerking onderstreept dat de vraagstukken rond gelijk burgerschap, integratie en toegang tot instituties geen geïsoleerd nationaal probleem zijn, maar deel uitmaken van een bredere Europese worsteling met migratie, diversiteit en rechtsstatelijkheid.
De realiteit bij aankomst
Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat formeel uit vier landen met vrij verkeer van personen. Wie van Curaçao, Aruba of Sint Maarten naar Nederland komt, heeft geen verblijfsvergunning nodig en beschikt over een Nederlands paspoort. Tegelijkertijd is er administratief geen sprake van een verhuizing, maar van emigratie. De basisregistraties van burgers zijn gescheiden, waardoor iemand bij aankomst in Nederland in zekere zin opnieuw moet beginnen.
Een centraal probleem is het gebrek aan voorbereiding van veel Caribische Nederlanders die naar Nederland vertrekken. De verwachtingen zijn vaak hoog, maar de kennis van het Nederlandse systeem beperkt.
“Mensen komen onvoorbereid naar Nederland,” zegt Martijn. “Het systeem is ingewikkeld, zelfs voor Nederlanders die hier al lang wonen.”
Die complexiteit zit niet alleen in wet- en regelgeving, maar ook in de vergaande digitalisering van de overheid. DigiD, toeslagen, gemeentelijke portalen: wie het systeem niet kent, raakt snel achterop. Veel Caribische Nederlanders hebben het gevoel voortdurend ‘iets fout’ te doen, zonder precies te weten wat.
Het Nederlandse paspoort van rijksgenoten uit Curaçao, Aruba en Sint Maarten bevat bovendien geen BSN (de inwoners van de BES-eilanden hebben sinds 11 november 2025 wel een BSN), terwijl dat nummer in Nederland de sleutel vormt tot vrijwel alle basisvoorzieningen. Zonder BSN zijn bankzaken, zorgverzekering, huurcontracten en vaak ook werk onbereikbaar.
Zoals Stichting Ocan dagelijks ziet, leidt dit tot een keten van uitsluiting. “Zonder BSN heb je geen bankrekening, geen zorgverzekering, geen woning,” aldus directeur Lionel Martijn. “Dan blijft je hele leven hangen in het informele circuit.” Het gevolg is een keten van uitsluiting die moeilijk te doorbreken is.

Huisvesting, werk en bestaanszekerheid
De problemen stapelen zich snel op. Huisvesting is schaars, zeker voor mensen zonder netwerk of vast inkomen. Tijdelijke oplossingen — logeren bij familie of kennissen — zijn vaak instabiel. Er is een verhoogd risico op dakloosheid, vooral onder jongeren.
De werkbereidheid daarentegen is doorgaans groot.
“Wij geven voorkeur aan mensen die willen werken,” zegt Martijn. “Werk is de beste oplossing tegen armoede.”
Bij OcanCare wordt eerst gekeken hoe de hulpvrager aan een baan kan worden geholpen. De toegang tot werk is echter niet vanzelfsprekend. Cultuur en taalnuances, digitale sollicitatieprocedures en gebrek aan begeleiding maken de stap naar duurzame arbeid soms lastig. Vooral jonge mannen met weinig opleiding of een lichte verstandelijke beperking blijken kwetsbaar.
Kenmerkend is dat hulp vaak pas op gang komt als de problemen al ernstig zijn. “Mensen komen bij ons als het al mis is gegaan,” aldus Ocan. Preventieve ondersteuning ontbreekt grotendeels.
Tussen wal en schip: beleid zonder eigenaar
Een kernprobleem in de integratie van Caribische Nederlanders is het ontbreken van duidelijke beleidsverantwoordelijkheid. Op nationaal niveau bestaat geen integraal kader voor hun ontvangst en begeleiding. Gemeenten vullen dit vacuüm ieder op hun eigen manier in, wat leidt tot grote verschillen in ondersteuning. “Er is geen nationaal beleid voor de integratie van Caribische Nederlanders,” stelt directeur Lionel Martijn. “Gemeenten doen maar wat — of niets.”
Die situatie is des te opvallender omdat er in het verleden wél gerichte aandacht bestond. Tot ongeveer een decennium geleden voerden ruim twintig gemeenten, waaronder grote steden als Rotterdam, specifiek beleid voor de integratie van Caribische Nederlanders. In deze zogeheten ‘Antillianengemeenten’ werd geïnvesteerd in huisvesting, onderwijs, opvoedingsondersteuning en arbeidsmarkttoeleiding, afgestemd op lokale bevolkingsconcentraties en behoeften. Volgens Ocan hebben veel gezinnen en jongeren daarvan aantoonbaar geprofiteerd.
Met het verdwijnen van deze gerichte aanpak verdween ook de infrastructuur van kennis en begeleiding. Nieuwe groepen Caribische Nederlanders die zich om sociaaleconomische redenen in Nederland vestigen, treffen die voorzieningen niet meer aan. Het gevolg is dat mensen opnieuw tussen wal en schip belanden: te Nederlands voor migratiebeleid, te weinig ingebed voor regulier sociaal beleid. Deze beleidsleemte leidt tot willekeur en ongelijkheid, waarbij de mate van ondersteuning sterk afhangt van toevallige gemeentelijke prioriteiten.

De toeslagenaffaire
De toeslagenaffaire vormt een pijnlijk voorbeeld van wat er gebeurt wanneer beleid uitgaat van formele gelijkheid zonder oog voor ongelijke weerbaarheid. Ook Caribische Nederlanders zijn hierdoor geraakt. Niet omdat zij vaker fraudeerden, maar omdat zij zich vaker in een kwetsbare positie bevonden binnen een systeem dat weinig ruimte liet voor misverstanden, taalnuances en beperkte systeemkennis.
Zoals Stichting Ocan in de praktijk ziet, waren veel betrokkenen volledig afhankelijk van toeslagen, terwijl zij onvoldoende inzicht hadden in het systeem. “Als mensen niet begrijpen wat de overheid van hen vraagt en niet op tijd reageren, worden fouten direct bestraft,” aldus Lionel Martijn. Terugvorderingen, schulden en een diep wantrouwen richting de overheid waren het gevolg.
De toeslagenaffaire maakt daarmee zichtbaar hoe systeemfalen juist burgers treft die formeel volledig gelijk zijn, maar in de praktijk minder weerbaar.
Draagkracht en preventie
In Nederland wonen inmiddels naar schatting 174.000 Caribische Nederlanders. Dat maakt deze groep geen marginale minderheid, maar een substantiële gemeenschap binnen de samenleving. Juist die omvang maakt de vraag naar draagkracht en preventie relevant. Wanneer een aanzienlijk deel van deze groep moeite heeft om volwaardig mee te doen, raakt dat niet alleen individuele levens, maar ook de sociale samenhang en uitvoerbaarheid van beleid.
Draagkracht wordt in het publieke debat vaak versmald tot aantallen migranten, terwijl de casus van Caribische Nederlanders laat zien dat het vooral gaat om institutionele inrichting. Preventieve begeleiding — vóór en direct na aankomst — ontbreekt grotendeels, waardoor problemen zich opstapelen en pas zichtbaar worden wanneer herstel kostbaar en complex is. Ocan wijst erop dat vroegtijdige ondersteuning niet alleen menselijker is, maar ook financieel rationeel. “Het is veel goedkoper om mensen aan de voorkant te begeleiden dan om ze jarenlang in uitkeringen, schuldhulp en justitie te laten belanden.”
De vraag is daarmee niet of Nederland deze groep ‘aankan’, maar of het bereid is zijn hoogontwikkelde, regelgedreven systeem toegankelijk te maken voor burgers die wel formeel gelijk zijn, maar feitelijk een achterstand hebben in kennis, netwerk en culturele inbedding.
Succesverhalen en beeldvorming
Tegenover de problemen staan echter talloze succesverhalen. Veel Caribische Nederlanders functioneren goed, werken, ondernemen en dragen bij aan de samenleving. Toch domineren negatieve beelden vaak het publieke debat.
“Als het negatief is, weten de media ons te vinden,” zegt Martijn. “Als het positief is, zijn het ineens gewoon Nederlanders.”
Negatieve beeldvorming kan echter doorwerken in beleid en bejegening, waardoor ook succes wordt belemmerd.
Conclusie: een spiegel voor beleid
De situatie van Caribische Nederlanders is geen randverschijnsel, maar een spiegel voor het Nederlandse migratie- en integratiebeleid. Zij zijn staatsburgers die soms vastlopen, niet omdat zij niet willen meedoen, maar omdat ze onvoldoende zijn voorbereid en het systeem onvoldoende is ingericht op begeleiding.
“Vroeger waren we familie,” concludeert Martijn. “Nu zijn we soms niet eens meer kennissen.”
De kernvraag die deze casus oproept, is fundamenteel: hoe organiseren we burgerschap, integratie en migratie in een complexe samenleving? Formele gelijkheid is onvoldoende zonder feitelijke toegang. Wie migratie — binnen of buiten het Koninkrijk — serieus wil nemen, zal ook de structuren moeten bouwen die integratie mogelijk maken. Niet achteraf, maar aan de voorkant.
