Door Jos van Ginneken – Directeur Wetenschappelijk Bureau NSC
Nieuw Sociaal Contract moet zich in blijven zetten om het pensioendebat te voeren en zich sterk te maken voor koopkrachtige pensioenen voor (toekomstige) gepensioneerden. Hierom heeft het WB-NSC vorig jaar onderzoek laten doen naar noodzakelijke verbeteringen van het pensioenstelsel. Eind december, in de ochtend voorafgaand aan de grote ledenbijeenkomst van Nieuw Sociaal Contract na de Tweede Kamerverkiezingen, vond in Amersfoort de presentatie plaats van het tweede deel van het pensioenonderzoek van het Wetenschappelijk Bureau NSC (WB-NSC). In een goedgevulde zaal, met geïnteresseerde leden, vertegenwoordigers van pensioenfondsen en aanwezigen vanuit andere politieke partijen – waaronder BBB en 50PLUS – presenteerde dr. Henk Bets van Actuarieel Adviesbureau Confident B.V. zijn bevindingen over koopkrachtbehoud en zekerheid binnen het nieuwe pensioenstelsel.
De bijeenkomst markeerde een belangrijk moment in een dossier dat al lange tijd een centrale plaats inneemt in het denken van NSC. Een goed en waardevast pensioen vormt immers een van de hoekstenen van bestaanszekerheid. Met dit tweede onderzoeksdeel zet het WB-NSC een volgende stap in het onderbouwen van concrete voorstellen om pensioenen ook in de toekomst hun reële waarde te laten behouden.
Het tweede deel van het pensioenonderzoek richt zich nadrukkelijk op de positie van fondsen die (deels) onder het oude Financieel Toetsingskader (FTK) blijven vallen, en laat zien dat juist daar concrete mogelijkheden liggen om koopkracht structureel beter te beschermen. Uit de doorrekening van verschillende scenario’s blijkt dat de strenge indexatieregels die sinds 2015 gelden een belangrijke oorzaak zijn van achterblijvende pensioenstijgingen, en dat het versoepelen van deze regels op een verantwoorde manier mogelijk is. Het rapport toont aan dat aanpassing van bijvoorbeeld de indexatie-ondergrens en de TBI-grens in vrijwel alle doorgerekende scenario’s leidt tot hogere of ten minste vergelijkbare uitkeringen, zonder dat dit extra risico’s oplevert voor jongeren. Vooral voor fondsen met een bestaande indexatie-achterstand kan een versoepeld FTK helpen om gemiste koopkracht gedeeltelijk in te halen en pensioenen weer beter mee te laten bewegen met de inflatie. Daarmee onderbouwt dit tweede deel van het onderzoek dat gerichte wetswijzigingen niet alleen nodig, maar ook haalbaar zijn om het oude stelsel – en met name gesloten fondsen die niet invaren – toekomstbestendig te houden en te zorgen voor een blijvend koopkrachtig pensioen.
De kernvraag: hoe houden pensioenen hun waarde?
Het Wetenschappelijk Bureau liet het onderzoek uitvoeren tegen de achtergrond van de invoering van de Wet toekomst pensioenen (Wtp). Deze wet werd jarenlang voorbereid en werd gepresenteerd als een belangrijke modernisering van het stelsel, met als expliciete doelstelling: meer perspectief op een koopkrachtig pensioen. Maar in hoeverre wordt die belofte in de praktijk waargemaakt?
Vanuit die vraag heeft het onderzoek zich gericht op drie hoofdpunten:
- In hoeverre sturen pensioenfondsen in hun transitieplannen daadwerkelijk op koopkrachtbehoud?
- Biedt het nieuwe stelsel voldoende bescherming tegen inflatie?
- Welke wijzigingen zijn nodig om fondsen beter in staat te stellen de koopkracht van pensioenen te behouden?
De bevindingen laten een genuanceerd, maar ook kritisch beeld zien. Hoewel het nieuwe stelsel instrumenten bevat die in theorie kunnen bijdragen aan koopkrachtbehoud, blijkt dat deze in de praktijk beperkt effectief zijn of nauwelijks worden ingezet. In veel transitieplannen ontbreekt bovendien een duidelijke en concrete koopkrachtdoelstelling.
Dat is problematisch, omdat de waarde van een pensioen zonder structurele aandacht voor inflatie snel kan dalen. De gemiddelde uitkeringsduur van een pensioen ligt rond de twintig jaar. Zelfs in perioden met relatief lage inflatie kan dat leiden tot een aanzienlijke daling van de koopkracht. In tijden van hogere inflatie wordt dit effect nog sterker voelbaar.
Instrumenten die tekortschieten
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek bestond uit een analyse van de mechanismen binnen het nieuwe stelsel die bedoeld zijn om koopkracht te ondersteunen. Daarbij werd gekeken naar onder meer de toerekening van beleggingsrendementen, het projectierendement en de mogelijkheden om inflatie te compenseren.
De conclusie is dat deze instrumenten in hun huidige vorm vaak niet leiden tot structureel koopkrachtbehoud. Zo worden rendementen anders verdeeld tussen jongere en oudere deelnemers, wat in het nadeel kan uitpakken voor gepensioneerden. Andere instrumenten zijn theoretisch beschikbaar, maar in de praktijk moeilijk toepasbaar of politiek en financieel weinig aantrekkelijk.
Dat betekent dat het doel van een koopkrachtiger pensioen weliswaar wordt onderschreven, maar dat de praktische uitwerking nog onvoldoende is om dat doel daadwerkelijk te realiseren.
De solidariteitsreserve als sleutel
Een van de belangrijkste aanbevelingen uit het eerste rapport is om de solidariteitsreserve binnen het nieuwe stelsel beter en breder te benutten. Pensioenfondsen zouden meer ruimte moeten krijgen om deze reserve niet alleen in te zetten bij onverwachte inflatieschokken, maar ook bij reguliere inflatieschommelingen.
Het idee daarachter is relatief eenvoudig en sluit aan bij de traditie van solidariteit binnen het Nederlandse pensioenstelsel. In jaren waarin het economisch goed gaat en rendementen hoger uitvallen, kan een deel van de opbrengsten worden gereserveerd. In jaren waarin de inflatie oploopt of rendementen tegenvallen, kan deze reserve worden ingezet om de pensioenen aan te vullen en zo de koopkracht te beschermen.
Op die manier ontstaat een stabieler en evenwichtiger systeem, waarin schommelingen over de tijd worden opgevangen. Daarmee kan ook een deel van de solidariteit, die volgens critici onder druk is komen te staan door de overgang naar het nieuwe stelsel, opnieuw vorm krijgen.

Betekenis voor fondsen die buiten de Wtp blijven
De inzichten uit dit tweede deel van het onderzoek zijn niet alleen relevant voor fondsen die volledig overgaan naar het nieuwe stelsel. Begin 2026 heeft het WB-NSC het rapport ook aangeboden aan de Kring Gesloten Fondsen. Deze fondsen stappen niet over naar de Wet toekomst pensioenen en blijven onder het huidige financieel toetsingskader (FTK) vallen.
Juist voor deze groep kan een versoepeling van het FTK, onderbouwd door de onderzoeksresultaten, bijdragen aan beter koopkrachtbehoud. Het Wetenschappelijk Bureau ziet hierin een belangrijke kans om samen met betrokken partijen het gesprek te blijven voeren over gerichte aanpassingen die de positie van gepensioneerden versterken.
Een volle zaal, een levendig debat
De presentatie in Amersfoort onderstreepte dat het onderwerp breed leeft. De zaal zat vol met geïnteresseerde NSC-leden, maar ook met vertegenwoordigers van pensioenfondsen en andere politieke partijen. De aanwezigheid van onder meer BBB en 50PLUS gaf aan dat de discussie over de toekomst van het pensioenstelsel partijgrenzen overstijgt.
Tijdens de bijeenkomst werd duidelijk dat de behoefte aan verdere verdieping en aan concrete beleidsopties groot is. Pensioen is voor veel mensen een van de belangrijkste financiële zekerheden in het leven. Tegelijkertijd is het stelsel complex en in beweging, waardoor het vertrouwen soms onder druk staat.
Het onderzoek van Henk Bets biedt in dat opzicht niet alleen kritiek, maar vooral ook handvatten voor verbetering. Het laat zien dat met gerichte aanpassingen binnen de bestaande kaders al veel mogelijk is.
Pensioen als fundament van bestaanszekerheid
Voor het WB-NSC past dit onderzoek in een bredere inzet op bestaanszekerheid. Een goed pensioen – dat niet alleen vandaag voldoende is, maar ook in de toekomst zijn waarde behoudt – is daarin een essentieel element. Het gaat niet alleen om cijfers en regels, maar om de vraag of mensen kunnen vertrouwen op een stabiele oude dag.
Het Wetenschappelijk Bureau blijft zich daarom inzetten voor een koopkrachtig pensioen en wil met onderzoek, publicaties en bijeenkomsten het debat blijven voeden. Daarmee verzet het zich ook tegen het idee dat met de invoering van de Wet toekomst pensioenen het denken over pensioenen is afgerond en het debat als het ware ‘geslecht’ zou zijn.
Juist het tegendeel is volgens het WB-NSC nodig. De nieuwe wet is een belangrijke stap, maar geen eindpunt. Om de ambitie van koopkrachtbehoud daadwerkelijk waar te maken, blijven wetswijzigingen en aanvullend beleid nodig. Alleen zo kan worden voorkomen dat pensioenen op termijn aan waarde verliezen.
Vooruitkijken
Met het tweede deel van het pensioenonderzoek levert het Wetenschappelijk Bureau NSC een inhoudelijke bijdrage aan een debat dat de komende jaren alleen maar aan belang zal winnen. Door samen te werken met experts, pensioenfondsen en andere betrokkenen hoopt het bureau de inzichten uit het rapport te vertalen naar concrete verbeteringen in beleid en wetgeving.
De boodschap die in Amersfoort klonk, was helder: een koopkrachtig pensioen vraagt om blijvende aandacht, om solidariteit en om politieke keuzes. Het WB-NSC wil daarin een actieve rol blijven spelen – met onderzoek dat niet alleen analyseert, maar ook richting geeft.
