De Amerikaanse sancties tegen het Internationaal Strafhof treffen niet alleen rechters en aanklagers, maar ook hun gezinnen, banken en digitale leven. CICC-vertegenwoordiger Zoé Paris waarschuwt dat achter de zichtbare persoonlijke schade een aanval schuilgaat op het internationale recht – en op Nederland als gastland van het Hof.
Een bankrekening die van de ene op de andere dag wordt geblokkeerd. Een creditcard die niet meer werkt. Geen vliegticket of hotelkamer meer kunnen boeken en afhankelijk worden van anderen om gewone boodschappen te betalen. De Amerikaanse sancties tegen medewerkers van het Internationaal Strafhof klinken als een abstract geopolitiek conflict, maar hun uitwerking is onthutsend alledaags. ‘De onzekerheid is een belangrijk onderdeel van de sancties’, zegt Zoé Paris, Advocacy Coordinator van de Coalition for the International Criminal Court (CICC). ‘Een dienst die vandaag nog werkt, kan morgen verdwijnen.’
Bulletin sprak met haar naar aanleiding van het CICC-rapport Criminalising Accountability: The US lawfare against the international justice system. Het rapport verscheen in april 2026 en is gebaseerd op 45 interviews met alle personen en organisaties die vanwege hun werk met het Strafhof zijn gesanctioneerd. De interviews laten zien hoe een Amerikaans presidentieel besluit dankzij de wereldwijde dominantie van Amerikaanse banken, betaalnetwerken en technologiebedrijven ver buiten de Verenigde Staten doorwerkt.
Een hof voor de zwaarste misdrijven
Het Internationaal Strafhof, meestal aangeduid met de Engelse afkorting ICC, werd opgericht door het Statuut van Rome en is sinds 2002 gevestigd in Den Haag. Het is het eerste permanente internationale strafhof. Het vervolgt personen die worden verdacht van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. Het Hof is echter geen vervanger van nationale rechtbanken, maar een laatste hulpmiddel wanneer staten niet bereid of niet in staat zijn de zwaarste internationale misdrijven zelf daadwerkelijk te vervolgen.
Daarom spreekt Paris over veel meer dan een conflict tussen Washington en één instelling. ‘Door het ICC aan te vallen, vallen de Verenigde Staten het gehele internationale rechtssysteem aan, en daarmee ook de erfenis van Neurenberg.’ Het Hof is niet alleen afhankelijk van het werk van de aangestelde rechters, aanklagers en onderzoekers, maar ook van slachtoffers, advocaten, deskundigen en maatschappelijke organisaties die misdrijven documenteren en bewijsmateriaal verzamelen.
De CICC verbindt dat maatschappelijke veld. Deze coalitie omvat volgens haar actuele publicaties meer dan 2.500 organisaties in ruim 150 landen. Zij zet zich in voor een onafhankelijk en effectief Strafhof, voldoende financiering, de rechten van slachtoffers en toegang van maatschappelijke organisaties tot het Hof. De coalitie neemt zelf geen standpunt in over lopende zaken. Juist daardoor kan zij verschillende stemmen bijeenbrengen zonder daarmee de rol van aanklager of rechter over te nemen.
Amerikaanse ‘lawfare’
In februari 2025 ondertekende president Donald Trump Executive Order 14203. Daarmee konden sancties worden opgelegd aan personen en organisaties die betrokken zijn bij bepaalde onderzoeken of procedures van het ICC. De Amerikaanse regering stelt dat het Hof onrechtmatig optreedt tegen Amerikanen en Israëliërs, terwijl beide landen niet zijn aangesloten bij het Statuut van Rome. Het ICC baseert zijn bevoegdheid echter mede op territorialiteit: wanneer vermeende misdrijven plaatsvinden op het grondgebied van een staat die de rechtsmacht van het Hof heeft aanvaard, dan kan ook een onderdaan van een niet-aangesloten staat worden onderzocht.
Volgens Paris probeerden de Verenigde Staten eerst het Statuut van Rome te laten wijzigen, zodat onderdanen van niet-lidstaten buiten bereik van het Hof zouden vallen. Toen daarvoor onvoldoende steun bestond, werd de druk opgevoerd. De sancties begonnen bij aanklagers en rechters, maar zijn inmiddels ook gericht tegen medewerkers, een VN-deskundige en Palestijnse mensenrechtenorganisaties. In augustus 2026 werden zelfs ICC-president Tomoko Akane en Abdoulaye Seye, een senior jurist van het aanklagerskantoor en kandidaat voor de rechtersverkiezingen, op de sanctielijst geplaatst.
Lawfare betekent hier niet simpelweg dat juridische middelen worden ingezet in een conflict. Het is volgens de CICC het gebruik van financieel en bestuursrechtelijk machtsvertoon om onafhankelijke rechtspleging af te schrikken en te ontregelen. Rechters worden geraakt vanwege rechterlijke beslissingen, aanklagers vanwege hun vervolgingsbeleid en maatschappelijke organisaties omdat zij informatie aanleveren. ‘Het doel is enkelen te treffen om zodoende het gedrag van velen te veranderen’, zegt Paris. De zwaarste schade blijft daardoor onzichtbaar: een jurist die een zaak niet aanneemt, een getuige die zwijgt, bewijs dat niet wordt gedeeld of een kandidaat-rechter die zich terugtrekt.
Sancties dringen het privéleven binnen
Formeel verplichten de sancties Amerikaanse personen en bedrijven om bezittingen te blokkeren en de dienstverlening te staken. Door de grote invloed van de Amerikaanse infrastructuur zijn deze sancties bijna overal te voelen. Visa, Mastercard en American Express zijn Amerikaans. Internationale overboekingen lopen vaak door een systeem waarin Amerikaanse banken of de dollar een rol spelen. Ook e-mail, cloudopslag, sociale media, domeinnamen en boekingsplatforms worden gedomineerd door Amerikaanse bedrijven. Niet-Amerikaanse ondernemingen gaan bovendien soms verder dan juridisch noodzakelijk uit angst zelf risico te lopen. Deze overcompliance maakt de sancties nog veel omvangrijker en moeilijker te omzeilen.
De gevolgen verschillen daarom per persoon én per land. De Britse bankrekeningen van ICC-aanklager Karim Khan werden volgens het CICC-onderzoek bevroren. VN-rapporteur Francesca Albanese kon in Italië, Zwitserland en Nederland geen rekening openen en beschikte niet meer over een betaalpas. Een Georgische rechter zag zijn rekening gesloten en kreeg de eis een lening versneld af te lossen. Voor internationale functionarissen in Den Haag betekent het ontbreken van grensoverschrijdend betalingsverkeer dat zij geen geld naar familie in hun land van herkomst kunnen sturen.
De situatie hangt echter sterk af van de bescherming door het eigen land. Die steun kan beginnen met een publieke verklaring, maar krijgt pas werkelijk betekenis wanneer ministeries banken, verzekeraars en andere dienstverleners rechtstreeks aanspreken. Regeringen kunnen schriftelijk bevestigen dat Amerikaanse sancties niet automatisch op hun grondgebied behoren te worden toegepast en kunnen bedrijven juridische en politieke rugdekking geven. Frankrijk en Slovenië deden dat volgens Paris actief voor hun gesanctioneerde onderdanen. Italië bood VN-rapporteur Albanese die bescherming echter onvoldoende en ook de Britse regering trad volgens haar niet op om Khans tegoeden vrij te krijgen. Het verschil in steun van een overheid maakt een groot verschil: de één behoudt toegang tot essentiële diensten, de ander moet het dagelijks leven via familie of collega’s organiseren.
Organisaties worden digitaal uitgewist
Voor organisaties kan een sanctie neerkomen op institutionele wurging. De Palestijnse organisaties Al-Haq, het Palestinian Centre for Human Rights, Al Mezan en Addameer verloren bankdiensten, financiering en samenwerkingspartners. Amerikaanse medewerkers moesten vertrekken en langdurige juridische en onderzoekssamenwerkingen werden beëindigd. YouTube verwijderde kanalen met honderden video’s die volgens de organisaties misdrijven documenteerden. Addameer verloor volgens Paris ook sociale-media-accounts, zijn website, domeinnaam en toegang tot Microsoft-diensten, inclusief gegevens waarvan geen reservekopie kon worden gemaakt.
Daarmee worden niet alleen organisaties gestraft, maar verdwijnt tevens potentieel bewijsmateriaal. Medewerkers werkten door zonder loon, vertelt Paris, maar veerkracht kan geen betalingsverkeer vervangen. De noodoplossingen die staten voor het ICC zoeken zijn niet beschikbaar voor deze maatschappelijke organisaties. “Zij zijn grotendeels alleen gelaten om met de gevolgen om te gaan.”
Europa heeft een middel, maar gebruikt het niet
De Europese Unie beschikt over een blokkeringsverordening uit 1996. Deze is ontworpen om Europese personen en bedrijven te beschermen tegen de extraterritoriale werking van sanctiewetgeving van derde landen. De Europese Commissie kan Amerikaanse regelgeving aan de bijlage toevoegen. Dan ontstaat een juridisch kader dat naleving van de betrokken buitenlandse sancties in de EU tegengaat, buitenlandse besluiten niet erkent en onder voorwaarden het verhalen van schade mogelijk maakt.
Vooralsnog is de Amerikaanse Executive Order 14203 niet aan die bijlage toegevoegd. De Commissie en verschillende lidstaten vrezen volgens Paris een confrontatie met Washington en wijzen erop dat de verordening oorspronkelijk vooral rond handel en kapitaalverkeer is ontwikkeld. Zij erkent dat het instrument niet perfect is, maar noemt het wel ‘het meest relevante middel dat de Europese Unie nu heeft’. Wanneer banken en technologiebedrijven alleen verklaringen van solidariteit ontvangen zullen ze immers dezelfde risicoafweging maken en de sancties uitvoeren.
De bijzondere verantwoordelijkheid van Nederland
Nederland heeft in dit debat meer gewicht dan een doorsnee lidstaat. Het Strafhof staat in Den Haag; medewerkers wonen hier, ontvangen hier hun salaris en gebruiken Nederlandse banken en voorzieningen. Bovendien heeft Nederland zich internationaal geprofileerd als gastland van vrede en recht. Als een buitenlandse mogendheid vanuit eigen wetgeving de praktische werking van een in Nederland gevestigde internationale rechtbank kan aantasten, raakt dat ook de Nederlandse rechtsorde en soevereiniteit.
Paris benadrukt dat Nederland het Hof wel degelijk helpt bij het vinden van concrete oplossingen. Veel daarvan blijft vertrouwelijk, omdat openbaarheid de noodvoorzieningen juist kwetsbaar kan maken. Frankrijk en Duitsland ondersteunen het ICC aantoonbaar met ICT-gerelateerde diensten. De grootste Nederlandse verantwoordelijkheid ligt volgens haar echter bij de financiële infrastructuur: toegang tot bankrekeningen, betaalmiddelen en internationale overboekingen.
Juist daar is de Nederlandse opstelling erg afwachtend. De Tweede Kamer en afzonderlijke Kamerleden hebben aangedrongen op activering van de Europese blokkeringsverordening, maar de regering steunt die stap volgens Paris pas wanneer het ICC als instelling wordt gesanctioneerd. Individuele rechters, aanklagers en organisaties worden nu al getroffen, terwijl een institutionele sanctie het Hof mogelijk plotseling van banken en internationale betalingen afsnijdt. Het ICC heeft kantoren en missies in meerdere landen en betaalt herstelmaatregelen voor slachtoffers. Wachten tot het gehele Hof op de sanctielijst staat, betekent wachten tot een dreiging een acute crisis is geworden.
Een open land kan niet wegkijken
Voor Nederland is dit geen abstracte juridische strijd. Een open economie is afhankelijk van voorspelbare regels, grensoverschrijdend betalingsverkeer en vertrouwen dat geschillen juridisch in plaats van door macht worden beslecht. Juist middelgrote landen hebben belang bij een internationale orde waarin niet het grootste land bepaalt welke rechter onderzoek mag doen. Wanneer buitenlandse sancties in Den Haag feitelijk kunnen beslissen wie een rekening, cloudomgeving of vliegticket krijgt, dan wordt niet alleen het Strafhof verzwakt, maar ook de Nederlandse autonomie.
Staten zouden de sancties publiekelijk moeten afwijzen, banken en dienstverleners actief beschermen tegen Amerikaanse druk, nationale en Europese blokkeringsregels inzetten en oplossingen beschikbaar maken voor álle getroffenen, ook maatschappelijke organisaties. Daarnaast moeten Europa en Nederland investeren in financiële en digitale weerbaarheid, zodat de werking van internationaal recht niet afhankelijk blijft van enkele Amerikaanse bedrijven.
De gesanctioneerden zelf laten zich niet intimideren en zijn vastbesloten door te gaan. Maar hun persoonlijke moed mag geen alibi worden voor politieke passiviteit. Het Strafhof is juist opgericht omdat de berechting van de zwaarste misdrijven niet afhankelijk mag zijn van de instemming van machtige verdachten of hun bondgenoten. De vraag voor Nederland is: wil het alleen gastheer van het internationale recht zijn, of is het bereid dat recht ook te beschermen?