Terug

De kwetsbaarheid van een samenleving van alleenstaanden

Nederland individualiseert. Steeds meer mensen wonen alleen en een groeiende groep brengt een deel van hun leven zonder partner door. Die ontwikkeling heeft een grote invloed op de toekomst van Nederland. Niet alleen omdat zij gevolgen heeft voor de manier waarop mensen wonen en samenleven, maar ook omdat zij de economische positie van huishoudens verslechtert.

De kern van het probleem is eenvoudig: een huishouden met één volwassene beschikt over één inkomen, terwijl een huishouden met twee werkende partners in beginsel over twee inkomens kan beschikken. Wanneer het aantal huishoudens dat van één inkomen moet rondkomen sterk toeneemt, verandert daarmee niet alleen de persoonlijke financiële positie van alleenstaanden, maar ook de economische structuur van de samenleving.

Van samenwonen naar alleen wonen

Er zijn verschillende ontwikkelingen die samen bijdragen aan de groei van het aantal alleenwonenden. Voor jongere generaties is het steeds normaler geworden om na het verlaten van het ouderlijk huis eerst alleen te gaan wonen. Waar een halve eeuw geleden het verlaten van het ouderlijk huis vaak direct samenviel met samenwonen, begint tegenwoordig ongeveer driekwart van de jongeren alleen. Tegelijkertijd is de levensloop minder lineair geworden. Ongeveer één op de vijf jongeren die het ouderlijk huis verlaat, keert later weer terug naar de ouders. Ook de eerste samenwoonrelatie vindt gemiddeld op latere leeftijd plaats.

Een tweede ontwikkeling is de grotere instabiliteit van relaties. Van de stellen die rond het jaar 2000 gingen samenwonen, was na vijftien jaar ongeveer de helft nog bij elkaar. Dat geldt zowel voor gehuwde als ongehuwde stellen, en zowel voor stellen met als zonder kinderen. Ook onder jonge ouders neemt de kans op uiteengaan toe. Iedere verbroken relatie kan opnieuw leiden tot een periode waarin één of beide partners alleen wonen.

Ten slotte neemt het aantal alleenwonenden toe doordat meer mensen na een scheiding alleen verder leven en ouderen vaker zelfstandig blijven wonen. Vergrijzing versterkt daarmee de ontwikkeling. Het resultaat is dat alleen wonen niet langer een uitzondering of een tijdelijke levensfase is, bijvoorbeeld in de studententijd. Het wordt voor veel Nederlanders een belangrijk onderdeel van de normale levensloop, zo niet de norm.

Een meerderheid van partnerloze huishoudens

De ontwikkeling wordt nog duidelijker wanneer niet alleen naar eenpersoonshuishoudens wordt gekeken, maar naar alle huishoudens waarin geen partner aanwezig is. Zo worden alleenstaanden met een kind in de rekenmodellen niet altijd als een ‘partnerloos huishouden’ beschouwd, terwijl de sociale en economische positie in belangrijke opzichten vergelijkbaar kan zijn. Hierdoor ontstaat een blinde vlek in de statistiek, gevolgd door een blinde vlek waar het gaat om beleid.

Wanneer alleenstaanden en alleenstaande ouders samen worden genomen, ontstaat een ingrijpend beeld: al vóór 2040 kan meer dan de helft van de huishoudens bestaan uit een volwassene zonder partner, met of zonder kind. Daarmee is de ontwikkeling sterker dan wanneer uitsluitend naar het aantal eenpersoonshuishoudens wordt gekeken.

In de grote steden is deze ontwikkeling nu al ver gevorderd. Daar bestaat circa tweederde van de huishoudens uit partnerloze huishoudens. In het bijzonder de sociale huursector is een concentratiepunt van mensen die zonder partner wonen. Hier zien we al de eerste aanwijzingen voor een verband tussen ‘’partnerloosheid’’ en een lagere sociaaleconomische positie.

De toekomstige samenleving zal niet simpelweg uit méér mensen bestaan, maar uit een ander soort huishoudens. Het aantal huishoudens groeit mede doordat mensen vaker afzonderlijk wonen. De huishoudens worden kleiner en daarmee verandert ook de economische basis waarop die huishoudens functioneren.

Eén inkomen tegenover twee

Dat brengt ons bij de economische betekenis van individualisering. Alleenstaanden hebben statistisch een hoger risico op financiële en sociale kwetsbaarheid. Het maakt namelijk nogal uit of iemand een huishouden alleen voert of samen met een partner. Daarbij spelen leeftijd en levensfase vanzelfsprekend een rol: veel alleenstaanden zijn jong en studerend, terwijl zich onder alleenstaanden ook AOW-gerechtigden bevinden. Alleenstaande ouders en gepensioneerde paren hebben relatief lage inkomens, terwijl werkende stellen jonger dan 65 en stellen met kinderen relatief vaak een hoog (gezamenlijk) inkomen hebben.

Het belangrijkste punt is daarom niet dat iedere alleenstaande arm is. Het gaat om de structurele verschillen tussen huishoudens. Een huishouden waarin twee volwassenen wonen, kan beschikken over twee inkomens en kan vaste lasten over twee personen verdelen. Een alleenstaande kan dat niet. Wanneer een inkomen wegvalt, is er binnen het huishouden bovendien geen tweede inkomen dat de schok kan opvangen.

Een samenleving waarin het aandeel alleenstaanden groeit, krijgt daardoor automatisch meer huishoudens die afhankelijk zijn van één inkomen. Dit leidt daarmee ook tot huishoudens die in de regel financieel instabieler zijn met alle gevolgen van dien. Dat maakt individualisering ook tot een economisch vraagstuk. De keuze om alleen te wonen kan voor het individu een uitdrukking zijn van autonomie en vrijheid. Maar wanneer deze levensvorm op grote schaal de dominante huishoudvorm wordt, ontstaan maatschappelijke gevolgen die niet meer uitsluitend als individuele keuzes kunnen worden beschouwd.

Daarnaast moet opgemerkt worden dat het beeld van de ‘’happy single’’ (jonge hoogopgeleide vrouw in de Randstad) een fantasiebeeld is. De groeiende kwetsbare groep alleenstaanden zijn in de regel veelal man, lager opgeleid en wonend buiten de Randstad. De-industrialisering, het wegvallen van voorzieningen en nieuwe werkgelegenheid en de in zijn algemeenheid stijgende kosten van levensonderhoud vormen voor deze groep een neerwaartse economische spiraal. Deze slechtere economische positie werkt vervolgens ook door op de mogelijkheden om aantrekkelijk te zijn voor een mogelijke partner.

De woningmarkt als versterker

De woningmarkt maakt deze economische kwetsbaarheid extra zichtbaar. Een ruime meerderheid van de circa 3,4 miljoen alleenstaanden op basis van hun inkomen komt in aanmerking voor een sociale huurwoning. Van de ruim 600.000 alleenstaande ouders heeft ongeveer de helft een inkomen dat binnen de daarvoor geldende grenzen valt.

Daarmee vormen alleenstaanden en alleenstaande ouders een belangrijke potentiële groep voor de bestaande voorraad van ongeveer 2,3 miljoen corporatiewoningen. De meerderheid van gezinnen met kinderen en huishoudens met twee werkende partners heeft daarentegen geen recht op een sociale huurwoning.

Wanneer het aantal partnerloze huishoudens blijft groeien en inkomen een belangrijk criterium blijft voor de toegang tot sociale huur, zal een steeds groter deel van de vraag naar sociale huurwoningen dus afkomstig zijn van huishoudens zonder partner. Dat kan de druk op de bestaande corporatievoorraad verder vergroten.

Daarmee ontstaat een wisselwerking tussen demografie en woningmarkt. Meer mensen wonen alleen, waardoor meer woningen nodig zijn specifiek voor alleenstaanden. Tegelijkertijd hebben alleenstaanden gemiddeld minder financiële ruimte om een woning te betalen. De groep die behoefte heeft aan betaalbare woningen groeit dus juist op het moment dat haar financiële draagkracht gemiddeld beperkter is.

Van financiële naar sociale kwetsbaarheid

De gevolgen van individualisering stoppen bovendien niet bij inkomen en wonen. Alleenwonenden en andere partnerloze huishoudens zijn ook sociaal kwetsbaarder. Eenzaamheid komt onder alleenwonenden aanzienlijk vaker voor dan onder mensen met een partner. Ook mentale problemen worden relatief vaker ervaren binnen deze groep.

Een partner of huisgenoot kan een belangrijke bron van directe steun zijn wanneer iemand ziek wordt, werkproblemen krijgt of met andere persoonlijke tegenslagen wordt geconfronteerd. Wie alleen woont, heeft die vorm van ondersteuning niet vanzelfsprekend beschikbaar. We zien daarom een mogelijke samenhang tussen de groei van het aantal partnerloze huishoudens en een toename van eenzaamheid en mentale problemen.

Ook op de arbeidsmarkt kan dat gevolgen hebben. Mentale klachten vormen een belangrijke oorzaak van ziekteverzuim. Alleenwonenden hebben bij het ontstaan van dergelijke problemen doorgaans minder directe ondersteuning, waardoor de gevolgen groter kunnen zijn. Stress en mentale problemen kunnen vervolgens leiden tot verminderde productiviteit of langdurige uitval. Daarmee worden individuele problemen uiteindelijk ook een kwestie voor werkgevers en sociale voorzieningen.

De kwetsbaarste alleenstaanden

Niet iedere alleenstaande bevindt zich natuurlijk in dezelfde positie. Zo zijn het vooral mannen die vaker kinderloos blijven en minder vaak een partner hebben dan vrouwen. Zij lopen volgens een groter risico op sociale isolatie en beschikken daardoor vaker over een beperkt informeel zorgnetwerk.

De combinatie van alleenstaand zijn, ouder worden en het ontbreken van kinderen kan de kwetsbaarheid verder vergroten. Onder vrouwen die in de jaren tachtig zijn geboren, bleef bijna één op de vijf kinderloos. Onder mannen ligt de kinderloosheid nog hoger, waarbij mannen met minder economische en sociale hulpbronnen relatief vaak kinderloos blijven. Een groeiende groep oudere mannen zal daardoor in de toekomst geen beroep kunnen doen op kinderen voor mantelzorg en praktische ondersteuning.

Ook wanneer mensen wel kinderen hebben, is hulp niet vanzelfsprekend. Gezinnen worden kleiner en kinderen wonen vaker op grotere afstand van hun ouders. Hierdoor zal een groter beroep worden gedaan op professionele zorg, vrijwilligersnetwerken, burenhulp en bredere maatschappelijke solidariteit. Zeker in krimpregio’s staan deze voorzieningen onder druk door een slinkende (beroeps)bevolking en (overheids)middelen om ze te stutten.

Een demografische ontwikkeling met economische gevolgen

De ontwikkeling naar meer alleenstaanden is daarmee meer dan een verandering in woonvoorkeuren. Het is een structurele demografische ontwikkeling die doorwerkt in inkomen, wonen, arbeid, zorg en sociale ondersteuning.

De individuele keuzevrijheid die met individualisering gepaard gaat, is reëel. Mensen kunnen hun levensloop steeds meer zelf vormgeven en zijn minder economisch afhankelijk van een partner. Maar dezelfde ontwikkeling heeft een keerzijde. De samenleving wordt opgebouwd uit steeds meer huishoudens waarin risico’s niet meer binnen een huishouden over meerdere volwassenen kunnen worden verdeeld. Paradoxaal leidt dit tot minder economische slagkracht en daarmee tot minder vrijheid in de invulling van iemands leven.

Dat maakt de toekomstige ontwikkeling economisch wankeler. Niet omdat alleenstaanden per definitie kwetsbaar of arm zijn, maar omdat een samenleving met meer alleenstaanden meer huishoudens kent die op één inkomen draaien, vaker aangewezen zijn op betaalbare woningen en minder vanzelfsprekend kunnen terugvallen op een partner wanneer zich problemen voordoen.

Daarmee verandert uiteindelijk ook de vraag wat bestaanszekerheid betekent. In een samenleving waarin het traditionele huishouden van twee volwassenen minder dominant wordt, kunnen voorzieningen, arbeidsmarkt, woningmarkt en sociale ondersteuning niet zonder meer blijven uitgaan van het huishouden als vanzelfsprekende economische en sociale eenheid van twee volwassenen.

De demografische ontwikkeling is bovendien al gaande. De vraag is daarom niet meer óf Nederland een samenleving met veel meer alleenstaanden wordt, maar hoe de samenleving zich daarop voorbereidt. Als individualisering vooral wordt gezien als een uitbreiding van persoonlijke vrijheid, dreigt de andere kant van het verhaal uit beeld te raken: de economische en sociale risico’s die ontstaan wanneer steeds meer mensen hun leven zelfstandig moeten organiseren.

De groei van het aantal alleenstaanden is daarmee uiteindelijk niet alleen een verhaal over mensen die alleen wonen. Het is een verhaal over de vraag hoe een samenleving haar leden in staat stelt om economisch en sociaal overeind te blijven wanneer het traditionele vangnet van partner, gezin en familie minder vanzelfsprekend wordt.

Bouwen aan een steviger fundament

De overheid bemoeit zich gelukkig niet met de partnerkeuze van haar inwoners en dit probleem is complexer dan een subsidieregeling voor speeddatingavonden gaat oplossen. Het is allereerst belangrijk om deze ontwikkeling van vereenzaming en partnerloosheid niet meer te zien als individueel probleem, maar als een potentiële sociaal-economische bedreiging voor de bestaanszekerheid van een grote groep Nederlanders. Dat opent ook de politieke ruimte voor maatregelen die zich meer richten op de onderliggende maatschappelijke ontwikkelingen, dan enkel op het bestrijden van eenzaamheid in één bepaalde groep.

Zo is de aandacht voor het mentaal welzijn van jonge vrouwen uiteraard goed, maar het is belangrijk om uit te diepen wat de precieze verhouding is tussen groepen die mentale problemen en druk ervaren. In de media zien we vooral voorbeelden van hardwerkende carrièrevrouwen die de prestatiedruk niet meer aankunnen en met een burn-out uitvallen. Hierdoor blijft de stille strijd van eenzame laagopgeleide en armere mannen in de provincie buiten beeld. Daarbovenop zien we dat de vraag bij deze laatste groep naast goede psychische zorg ook vooral uitgaat naar goede werkgelegenheid om zelf iets op te bouwen en te kunnen voorzien tezamen met een potentiële partner.

Een tweede stap kan gezet worden op het gebied van werkindeling. De nogal vrouwonvriendelijke klacht over ‘deeltijdprinsesjes’ vanuit werkgeversorganisaties en mannen met Volkskrant columns is contraproductief als we een gezonde demografische balans willen houden. Relatie- en gezinsvorming vraagt tijd en ruimte, ook juist in de verhouding tussen werk en privé. Politici die aan de ene kant oproepen tot meer uren draaien voor de baas moeten niet verbaasd zijn wanneer mensen minder tijd hebben voor familie en gezin. Dit vraagt uiteraard niet alleen om een verandering in de retoriek. De enige manier om meer deeltijdwerken mogelijk te maken is een drastische verlaging van de kosten van levensonderhoud, alleen dan is het ook financieel haalbaar om minder te gaan werken. Dit kan bijvoorbeeld door lasten op consumptie en inkomen te verschuiven naar vermogen. Zo loont werken en worden basisbehoeften goedkoper.

Vervolgens kan ook woningbouw niet buiten beschouwing worden gelaten. De oplossing voor een tekort aan woningen, is het creëren van meer woonruimte. We kunnen mensen uiteraard niet dwingen om samen te gaan wonen, maar het inrichten van meer woonvormen waarbij eenpersoonswoningen gezamenlijke voorzieningen zoals wassen, tuinen en recreatieruimte gebruiken beperkte de ruimte die per woning nodig is voor deze zaken en bevordert de opbouw van informele netwerken en verlaagt de drempel voor ontmoeting. Het is dan vervolgens wel fijn als deze woonunits zo worden opgebouwd dat samenvoeging en het uitbreiden van woningoppervlakte samen kan gaan met gezinsuitbreiding.

Al het bovenstaande gaat over materiële zaken, dingen waar de overheid iets aan kan ‘’doen’’. De allergie voor een overheid die zich gaat bemoeien met relatievorming is zeer begrijpelijk. Toch is de gereedschapskist op dit vlak niet helemaal leeg. Zo kunnen lesprogramma’s die nu vooral gaan over het persoonlijk ontdekken en ontplooien van gender en seksualiteit veel meer ingestoken worden richting gezonde en duurzame relatievorming. Deze nadruk op het samenbrengen van mensen kan ook door worden getrokken in het subsidiebeleid van lokale overheden door vooral geld te reserveren voor plekken en activiteiten waar mensen elkaar ontmoeten in groepsverband. Plat gezegd, minder geld voor hardlooproutes en sporttoestellen voor individueel gebruik in de buitenlucht en meer voor verlengde openingstijden van buurthuizen, bibliotheken en teamsporten. Wanneer relaties dan tot stand zijn gekomen, maar door de weerbarstigheid van het leven een moeilijke periode doormaken, kunnen we stellen helpen door relatietherapie op te nemen in het basispakket.

Geen van deze maatregelen is dé oplossing, net als dat het enkel benoeming van een Minister voor Jeugd en Gezin de doorslag gaat geven. Relaties, gezinsvorming en het overbruggen van de vereenzaming is een maatschappelijke beweging. Die kan niet door de overheid afgedwongen worden. Het is echter ook niet zo dat de opkomst van partnerloze huishoudens genegeerd kan worden. Dit vormt namelijk dé onzichtbare bedreiging voor bestaanszekerheid van Nederlandse huishoudens in de toekomst. De overheid zal dus, met maatregelen zoals hierboven, het samenzijn en het fundament van de samenleving moeten versterken. De voorwaarden kunnen geschapen worden door de overheid maar die laatste stap, naar de ander, zullen we uiteindelijk zelf moeten zetten.

*Voor het schrijven van dit stuk is gebruikgemaakt van uitgebreid bronnenonderzoek van CBS-data door dhr. Jan Latten, voormalig hoofddemograaf van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

schrijf je in voor onze online nieuwsbrief

Ontvang de nieuwste artikelen, opiniestukken, podcasts en columns als eerste in je mailbox. Meld je aan voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief!

Schrijf je in