Terug

Een robuust migratiebeleid heeft een demografisch perspectief nodig

Achter de slepende ‘migratiecrisis’ gaan fundamentele vraagstukken schuil. Neem de discussie rond de huisvesting van statushouders. Het kabinet-Schoof was van plan om de voorrangsregeling voor statushouders af te schaffen. In tijden van woningnood vond de regering het niet uitlegbaar dat statushouders voorrang krijgen op andere woningzoekenden louter omdat zij erkende vluchtelingen zijn. Nadat het wetsvoorstel door het kabinet-Jetten werd ingetrokken, is het door zelfstandig Kamerlid Keijzer, JA21 en de Groep Markuszower opnieuw ingediend (in nagenoeg ongewijzigde vorm). De Raad van State adviseerde negatief over beide wetsvoorstellen, omdat zij onder meer in strijd zouden zijn met het recht op gelijke behandeling (art. 1 Grondwet).

Het advies van de Raad van State gaat er in essentie van uit dat de ongelijke uitgangspositie van statushouders gecompenseerd dient te worden, opdat iedere woningzoekende in Nederland gelijke kansen heeft op een woning. De voorrangsregeling is hier een effectief instrument voor. De opstellers van de wetsvoorstellen zien dit echter als ‘positieve discriminatie’ en willen de behandeling van statushouders juist ‘normaliseren’. Na een overgangsfase waarin de woningvoorraad vergroot en de asielinstroom verlaagd wordt, zouden statushouders gewoon – zonder enige voorkeursbehandeling – op een woning moeten wachten, net zoals andere woningzoekenden. Voor- en tegenstanders van de voorrangsregeling zijn het er dus over eens dat sociale huurwoningen op grond van het gelijkheidsbeginsel verdeeld moeten worden, en dat zich ook statushouders op dit beginsel kunnen beroepen. Het verschil van mening heeft enkel te maken met de interpretatie van het gelijkheidsbeginsel.

Maar is het wel terecht dat statushouders en woningzoekenden met een Nederlands paspoort op gelijke voet toegang krijgen tot een schaars sociaal goed? Wie puur vanuit een abstract idee van gelijkheid redeneert, zal dit een ronduit absurde vraag vinden. Echter, voorbij het globalistische frame verschijnt de statushouder niet primair als rechthebbende, maar als vreemdeling wiens verzoek om bescherming door de soevereine Nederlandse staat is ingewilligd. Deze staat is geen uitvoerend orgaan van een internationale of Europese mensenrechtenorganisatie. Integendeel: de Nederlandse staat is gesticht door en handelt namens de politieke gemeenschap van de Nederlanders. De staat dient zich in de eerste plaats te bekommeren om het algemeen welzijn binnen díe gemeenschap.

Bron: Andania Humaira -Unsplash

Dat heeft implicaties voor de verdeling van schaarse goederen zoals sociale huurwoningen, treffend geformuleerd door de Amerikaanse filosoof Michael Walzer in Spheres of Justice: ‘De idee van verdelende rechtvaardigheid veronderstelt een begrensde wereld waarin verdeling plaatsvindt: een gemeenschap die gecommitteerd is om sociale goederen te verdelen, te ruilen en te delen, in de eerste plaats onder elkaar.’ Met andere woorden: sociale goederen worden binnen een reeds bestaande gemeenschap verdeeld, en dat veronderstelt een idee van wie erbij hoort en wie niet. Maar dat betekent ook dat die verdeling – of algemener: het handelingsvermogen van de politieke gemeenschap – in het gedrang komt zodra het onderscheid tussen leden en vreemdelingen niet meer wordt gehandhaafd. Het voorbeeld van de voorrangsregeling laat zien dat dit een reëel gevaar is. Het gelijkheidsdenken leidt tot verwatering van de nationale politieke gemeenschap.

Een demografisch perspectief maakt inzichtelijk wat er concreet op het spel staat. Bij ongewijzigd beleid zal de bevolkingsgroei en -samenstelling de komende decennia voornamelijk door immigratie worden bepaald. Enerzijds leidt een combinatie van weinig geboortes en veel sterfgevallen tot natuurlijke krimp van de autochtone bevolking. Anderzijds fungeert immigratie als de enige groeifactor. Tegenwoordig is het migratiesaldo zelfs aanzienlijk groter dan nodig zou zijn om de natuurlijke krimp te compenseren. Wat asielmigratie betreft is het verder van belang dat de meeste vluchtelingen in Nederland blijven. Dit geldt zowel voor uitgeprocedeerde asielzoekers die om verschillende redenen maar moeilijk uitgezet kunnen worden, als voor statushouders. Die laatste categorie heeft tevens recht op gezinshereniging. Hier komt bij dat veel asielmigranten in een gezinsvormende leeftijd zijn. Daarom heeft juist deze migrantengroep een hoog groeipotentieel. Als men zich ten slotte realiseert dat de meeste asielzoekers uit Afrikaanse en Aziatische landen komen die ver af staan van de Nederlandse cultuur, dan rijst de vraag of de Nederlandse politieke gemeenschap zich niet langzamerhand zelf opheft door de geschetste demografische ontwikkeling stilletjes toe te staan.

Voor de duidelijkheid: het gaat hier niet om een romantisch verlangen naar een etnisch-homogeen Nederland. Waar het wel om gaat is de onderlinge solidariteit en het vertrouwen die nodig zijn om gezamenlijk – ondanks alle verschillen – als nationale politieke gemeenschap te handelen. Dat zijn de morele fundamenten van onze democratie. Als die als gevolg van demografische veranderingen eroderen, verliest de staat zijn gezag en valt de nationale politieke gemeenschap uit elkaar. Dat is funest voor burgers en lokale gemeenschappen die voor hun welzijn deels aangewezen zijn op de staat. Maar hoe kan de overheid waarden beschermen die historisch gegroeid zijn en die in eerste instantie door burgers en hun gemeenschappen gecultiveerd worden?

Beleid moet vanuit de Nederlandse politieke gemeenschap worden ontwikkeld, waarin vreemdelingen willen worden opgenomen. De overheid dient er dus rekening mee te houden dat vreemdelingen – als zij eenmaal zijn toegelaten – onderdeel worden van die gemeenschap. Dat vereist, kort gezegd, culturele selectie in alle fases van het migratieproces, met name op het gebied van asielmigratie (want door het visumbeleid is kennismigratie van buiten de EU nu al deels cultureel selectief). Wat de toelating betreft, is het nodig om asielprocedures in eigen land te vervangen door procedures in derde landen waar erkende vluchtelingen voor hervestiging naar Nederland worden geselecteerd, onder andere op basis van hun culturele achtergrond (zie het rapport ‘Grip op asielmigratie’ van het WB-NSC). Ook wanneer de initiële, tijdelijke bescherming overgaat in een permanent verblijf, moeten vluchtelingen bewijzen dat zij het Nederlanderschap verdienen. Daar is een aanscherping van het naturalisatiebeleid voor nodig. Een vreemdeling mag het Nederlanderschap pas verkrijgen als hij onderdeel is geworden van de sociale en culturele praktijken van lokale gemeenschappen. Dat vergt een langdurig maatschappelijk integratieproces dat nu nog buiten het formele naturalisatietraject valt, waarin vooral abstracte kennis getoetst wordt.

Samenvattend: de discussie rond de voorrangsregeling voor statushouders illustreert dat het migratiebeleid tegenwoordig niet vanuit de Nederlandse politieke gemeenschap wordt ontwikkeld. Een demografisch perspectief maakt duidelijk waarom dat problematisch is: in laatste consequentie staat het voortbestaan van de politieke gemeenschap op het spel. Om het tij te keren is een strenge culturele selectie van vreemdelingen (vooral asielmigranten) noodzakelijk, zowel in het toelatings- als in het inburgerings-/naturalisatiebeleid.

schrijf je in voor onze online nieuwsbrief

Ontvang de nieuwste artikelen, opiniestukken, podcasts en columns als eerste in je mailbox. Meld je aan voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief!

Schrijf je in