Wie zijn de Nederlanders en waar komen zij vandaan? Het WB-NSC heeft onderzoek verricht naar deze vraag. Het rapport zal spoedig worden gepresenteerd. Verwantschapspatronen kunnen indirect inzicht geven in duurzame sociale en culturele relaties. Zij laten weliswaar niet zien welke taal iemand sprak, welk geloof iemand aanhing of hoe iemand zichzelf identificeerde, maar ze tonen wel aan dat culturele en maatschappelijke grenzen invloed hadden op het onderlinge samenleven. Verwantschapsstructuur moet dan ook niet worden opgevat als de biologische grondslag van cultuur, maar als een historisch spoor van menselijke relaties die mede door cultuur en maatschappelijke instituties zijn gevormd.
De bevolking van Nederland stamt niet af van één oorspronkelijk historisch volk. Wel is de periode tussen 1000 en 1100 belangrijk omdat dit de datering is van een breed gedeeld vermengingssignaal in het DNA van de hedendaagse Nederlandse bevolking waardoor het ‘moderne Nederlandse genoom’ ontstond. De regionale verwantschapsstructuur is deels echter veel ouder dan duizend jaar. Verscheidene onderzoeken laten zien dat de interne Nederlandse structuur divers is in vergelijking met op het oog vergelijkbare landen. Zo laat onderzoek zien dat de bevolking van Denemarken grotendeels uit één cluster bestaat. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland bevatten beiden minstens één zeer groot cluster, terwijl in Nederland geen enkel cluster domineert. De gemiddelde genetische differentiatie tussen Nederlandse clusters is bovendien groter. In deze betekenis, fijnmazige regionale differentiatie, is de onderzochte Nederlandse bevolking daarom heterogener.

Een divers land, ook vóór de recente immigratie
Nederland was intern al divers voordat in de twintigste eeuw grote groepen migranten van buiten Europa arriveerden. Onderzoek naar het DNA van Nederlanders met regionaal gewortelde voorouders toont een duidelijke noord-zuidstructuur, maar ook verschillen tussen oost en west en binnen provincies. In een grootschalig onderzoek werden op het fijnste analyseniveau veertig verwantschapsclusters onderscheiden. Ook het commerciële DNA-test bedrijf Ancestry identificeert meer dan dertig clusters. Die clusters zijn natuurlijk geen afzonderlijke volkeren, maar concentraties van overeenkomsten met vaak vloeiende overgangen tussen aangrenzende gebieden. Zo zijn bijvoorbeeld verschillen zichtbaar tussen het oosten en westen van Noord-Brabant en tussen delen van Zuid-Holland. Limburg vertoont verwantschap met zowel Belgische als Duitse groepen, terwijl in het oosten de overeenkomsten met Duitse groepen groter zijn. De landsgrens is zodoende geen harde scheidslijn. Dat Nederland ondanks zijn geringe oppervlakte zo’n fijnmazige structuur kent, hangt samen met de manier waarop mensen vroeger leefden. Veel mensen werden geboren, trouwden en stierven binnen dezelfde regio.
Daarnaast speelden religie en sociale positie een belangrijke rol bij de partnerkeuze. Katholieken trouwden meestal met katholieken en protestanten met protestanten. Ook binnen protestantse kerkgenootschappen en sociale milieus bestond een sterke voorkeur voor de eigen groep. De Nederlandse bevolking was dus divers op regionaal, religieus en sociaal gebied. De huidige, door internationale migratie verder toegenomen diversiteit vervangt die oude verscheidenheid niet, maar voegt er wel nieuwe lagen aan toe.
Voor dit onderzoek is ook gebruikgemaakt van gegevens van MyHeritage en Ancestry; Amerikaanse commerciële DNA-testaanbieders. MyHeritage heeft miljoenen klanten die hun DNA via een test hebben afgestaan om daarmee hun afkomst en verwantschap te ontdekken. Op basis van die gegevens heeft het bedrijf bevolkingsgroepen gegroepeerd naar verwantschap. Zo is er onder andere de groep ‘Europa’ waarbinnen de Europese etniciteiten zich bevinden. Opvallend hierbij is de grote onderlinge overlap van Europese etniciteiten. Alleen de etniciteit Sardinië staat volledig apart van de anderen. Het overzicht dat MyHeritage geeft laat tevens regionale clusters zien: Baltische staten, Oost-Europa, Noordwest Europa, Balkan, Zuid-Europa. De onderlinge verschillen zijn echter klein.

Een ander opvallend punt is dat veel etniciteiten met anderen samenvallen. Zo wordt de Nederlandse cluster vrijwel volledig omgeven door de Duitse cluster. Het Nederlandse verwantschaps-profiel kan vanuit dit perspectief dus ook worden gezien als een deelverzameling van het Duitse profiel. Tevens is er een grote overlap met de clusters Scandinavië en Engeland. Veel Europese etniciteiten zijn vanuit dit perspectief onderling inwisselbaar. Net zoals het Nederlandse verwantschapsprofiel een deelverzameling is van de Duitse, geldt dit ook voor de etniciteiten Tsjechisch en Oostenrijks.
Tevens is het vrijwel onmogelijk om onderscheid te maken tussen de clusters Litouws, Lets, Ests en Fins; de overlap is vrijwel volledig. Hetzelfde geldt voor Joden, Zuid-Italianen en Grieken, die vrijwel volledig overlappen. Ook in de Balkan is de overlap tussen de etniciteiten zo groot dat de onderlinge verschillen vrijwel onzichtbaar zijn. Dit betekent dat als je van een willekeurige groep het etiket verandert, of er een of meer verwijdert, er niets verandert aan de indeling. De vraag is dan in hoeverre een dergelijke etniciteit vanuit een verwantschapsperspectief daadwerkelijk bestaat.
Een model moet de werkelijkheid weerspiegelen
Genetisch en genealogisch onderzoek maakt veel gebruik van wiskundige modellen. Bekende modellen suggereren bijvoorbeeld dat alle Europeanen betrekkelijk recent een gemeenschappelijke genealogische voorouder hebben. Zo geeft een veelgebruikt model als uitkomst dat elke persoon die duizend jaar geleden in Europa leefde en nakomelingen kreeg, de voorouder is van alle Europeanen die vandaag leven. Deze theoretische uitkomst staat echter te veraf van de werkelijkheid om zinvolle objectieve informatie te verschaffen. Bekende wiskundige modellen hebben vaak als aanname dat mensen binnen een bevolking min of meer willekeurig een partner vinden. De werkelijkheid is vanzelfsprekend anders. Afstand, rivieren, godsdienst, taal, maatschappelijke status en familieachtergrond bepaalden wie met wie trouwde. Ook kregen niet alle mensen evenveel nakomelingen. Epidemieën, oorlogen, armoede, stichterseffecten en langdurige afzondering zorgen ervoor dat sommige familielijnen sterk werden vergroot en anderen verdwenen.
Een theoretisch berekend jaartal voor een gemeenschappelijke voorouder is daardoor geen bewezen historische gebeurtenis. Voor een realistisch Nederlands model zijn oude en moderne DNA-gegevens nodig, en ook huwelijksregisters, stambomen, migratie-gegevens en informatie over religieuze en sociale grenzen. Het model moet aan deze gegevens worden getoetst en aangepast. Dit WB-NSC-onderzoek geeft handvatten om de bekende modellen aan te passen zodat ze beter overeenkomen met de werkelijkheid.
Nederlander door een gezamenlijke toekomst
De genetische geschiedenis laat zien dat Nederland niet is ontstaan uit één volk. Het land groeide uit verschillende regionale gemeenschappen met eigen dialecten, godsdiensten, gebruiken en verwantschapsnetwerken. De inwoners werden Nederlanders doordat zij steeds intensiever gingen samenwerken in een groter politiek, economisch en cultureel geheel.
Die samenwerking bood kansen die afzonderlijke dorpen, steden en gewesten niet konden bieden: veiligheid, handel, onderwijs, sociale zekerheid, politieke invloed en economische ontwikkeling. De Nederlandse identiteit werd daardoor geen weerspiegeling van genetische eenheid, maar een middel om een gezamenlijke toekomst vorm te geven.
Dat inzicht is belangrijk voor het huidige Nederland. Nieuwe bevolkingsgroepen kunnen onderdeel worden van de Nederlandse gemeenschap op dezelfde wijze waarop regionale en religieuze groepen dat eerder werden: niet door het verdwijnen van alle verschillen, maar doordat mensen bereid zijn samen te werken en verantwoordelijkheid voor hetzelfde land te dragen. De Nederlander bestaat niet dankzij één gedeeld genetisch verleden. Nederland bestaat wanneer uiteenlopende mensen een gezamenlijke toekomst willen opbouwen.
