Terug

Laat de WIA niet uitgroeien tot het nieuwe uitvoeringsschandaal

Eddy van Hijum, voormalig politiek leider van NSC en oud-vicepremier en minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De WIA bestaat twintig jaar. De wet heeft resultaten geboekt, maar is ook te complex gebleken voor burgers én uitvoerders. De oplossing ligt niet in bezuinigingen of financiële prikkels, maar in een fundamentele hervorming: eenvoudiger, eerlijker en met meer perspectief op werk. Dat vraagt om andere politieke keuzes dan de coalitie van D66, VVD en CDA nu maakt.

Twintig jaar geleden trad de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) in werking. De wet verving de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en vormde het sluitstuk van een serie maatregelen om het aantal arbeidsongeschikten terug te dringen. Het aantal mensen in de WAO naderde de miljoen en de overheid moest ingrijpen. Werkgevers werden gedurende twee jaar verantwoordelijk voor loondoorbetaling en re-integratie bij ziekte, keuringen werden strenger en werkgevers gingen een hogere premie betalen als hun werknemers toch in een uitkering belandden.

De WIA richtte zich vooral op de uitkeringsgerechtigden. Het doel om inkomenszekerheid te bieden bleef overeind voor mensen die ‘duurzaam en volledig’ arbeidsongeschikt zijn. Hiervoor werd de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) in het leven geroepen, met een hogere uitkering van 75 procent. Mensen die ondanks hun ziekte of beperking nog over ‘verdienvermogen’ beschikten, moesten worden gestimuleerd dat vermogen te benutten. Voor hen werd de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) in het leven geroepen, met sterke, maar ook complexe financiële prikkels voor zowel werkgevers als uitkeringsgerechtigden. Mensen die minder dan 35 procent arbeidsongeschikt waren, kregen niet langer een uitkering. Zij waren voortaan op zichzelf of de bijstand aangewezen.

Een wet die steeds complexer werd

De wet leek aanvankelijk effectief. Het aantal arbeidsongeschikten daalde in de jaren na invoering aanzienlijk, in elk geval op papier. Anno 2026 is het totale aantal mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering nog altijd lager dan bij de invoering van de WIA, ondanks de groei van het aantal werkenden en de verhoging van de pensioenleeftijd.

In de afgelopen jaren groeide echter de aandacht voor de keerzijden van de wet. Gedeeltelijk arbeidsgeschikten, met name mensen in de WGA en de zogenoemde ‘35-minners’, blijken maar moeilijk aan het werk te komen of aanvullend inkomen te verwerven. Dit probleem speelt in het bijzonder bij de kwetsbare groep ‘vangnetters’: zieke mensen zonder werkgever. Denk aan uitzendkrachten, WW’ers of mensen van wie het dienstverband tijdens hun ziekte eindigde. In reactie op deze problemen zijn de financiële prikkels voor werkgevers en uitkeringsgerechtigden steeds verder verfijnd en aangescherpt.

De toch al ingewikkelde WIA werd daardoor nog complexer en moeilijker uitvoerbaar. De vaststelling van de mate van arbeids(on)geschiktheid berust op medische en arbeidskundige oordelen, die zorgvuldig moeten worden gemotiveerd. Met behulp van een ‘functionele mogelijkhedenlijst’ wordt vervolgens theoretisch bepaald wat iemand nog zou kunnen verdienen. Het uiteindelijk vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage is gekoppeld aan harde administratieve grenzen die de hoogte van de uitkering bepalen. Besluiten leiden daarom in de praktijk al tot veel bezwaarprocedures.

Deze besluiten worden extra kritisch bekeken nu het UWV de zorgvuldigheid van het proces niet meer lijkt te kunnen waarborgen. De organisatie kan het aantal keuringen, herbeoordelingen en de complexiteit van de uitvoering niet meer aan. Termijnen worden overschreden, wachtlijsten nemen toe en er worden fouten gemaakt in de berekening van uitkeringen. De hersteloperaties die vervolgens nodig zijn, belasten de uitvoering opnieuw. Het capaciteitsprobleem wordt verder vergroot doordat het UWV steeds moeilijker personeel kan vinden om al het werk te doen, in het bijzonder verzekeringsartsen. Kortom, de WIA is onuitvoerbaar geworden.

Een kwetsbare positie

Voor de mensen om wie het gaat, zieken en arbeidsongeschikten, is dit ernstig. Zij bevinden zich vanwege hun gezondheid al in een onzekere en kwetsbare situatie. Daar komt de onzekerheid over hun inkomen nog bovenop.

Veel mensen kunnen moeilijk rondkomen. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt maximaal 70 procent van oude loon, waarbij dat loon is gemaximeerd op circa 6.700 euro per maand. Gedeeltelijk arbeidsgeschikten ontvangen echter een navenant lager percentage. Als zij er niet in slagen hun uitkering met inkomen uit arbeid aan te vullen, komen zij onder het bestaansminimum terecht. Daar komt bij dat het netto-inkomen fors daalt doordat zij niet langer de arbeidskorting voor werkenden ontvangen. De afhankelijkheid van toeslagen – en de onzekerheid die daarbij hoort – neemt tegelijkertijd toe.

Daarnaast zijn mensen die (chronisch) ziek zijn vaak meer geld kwijt zijn aan medicijnen, zorgkosten en eigen bijdragen. De financiële kwetsbaarheid en de kans op armoede en schulden ligt voor deze groep extra op de loer.

Geen bezuinigingsoperatie

De grote vraag is hoe de WIA weer uitvoerbaar en rechtvaardig kan worden gemaakt. De druk op de uitvoering moet worden verlicht, zodat mensen weer kunnen vertrouwen op een zorgvuldige beoordeling en een correct vastgestelde uitkering. Dit is goed voor de arbeidsongeschikte werknemer, maar verlicht op termijn ook de werkdruk voor het UWV. Mensen die niet meer kunnen werken, verdienen inkomenszekerheid. Mensen die nog wél geheel of gedeeltelijk kunnen werken, moeten worden gestimuleerd én geholpen om aan de slag te gaan. Werkgevers spelen daarbij een belangrijke rol.

In 2024 bracht de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) advies uit over de aanpak van de problemen. Het kabinet-Schoof schetste op basis daarvan in februari 2025 de contouren van een eenvoudiger en eerlijker stelsel. In de begroting voor 2026 werden maatregelen opgenomen om de druk op de uitvoering te verlichten. Zo kwam er geld voor ‘praktisch beoordelen’. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt hierbij bepaald op basis van feitelijk verricht werk en verdiend inkomen, in plaats van met theoretische inschattingen en fictieve functies. Ook werden middelen uitgetrokken om de beoordeling na het tweede ziektejaar sneller en efficiënter te laten verlopen op basis van het re-integratieverslag van de werkgever.

Het kabinet-Jetten lijkt deze draad vooralsnog niet verder op te pakken. In het hoofdlijnenakkoord van D66, VVD en CDA zijn vooral extra bezuinigingen aangekondigd. Zo gaat het maximale dagloon waarop de uitkering wordt gebaseerd omlaag. Ook wordt de IVA voor nieuwe gevallen afgeschaft. Daarnaast worden fiscale tegemoetkomingen voor chronisch zieken versoberd, gaat het eigen risico in de zorgverzekering omhoog en nemen eigen bijdragen toe. Het NIBUD becijferde dat mensen met een ziekte of beperking er met honderden euro’s per maand op achteruit gaan.

De noodzakelijke stelselherziening wordt zo gereduceerd tot een bezuinigingsoperatie. Dat is een politieke keuze. Het zijn namelijk niet in de eerste plaats de stijgende overheidsuitgaven die ons dwingen om naar het stelsel te kijken. Het is waar dat de instroom in de WIA recent toeneemt. Met name de toenemende uitval van jonge mensen met psychische problemen baart zorgen. Dat vraagt vooral om meer preventie, vroegsignalering, werkaanpassing en re-integratie bij uitval door werkgever en werknemer samen.

Het aantal uitkeringen is echter niet hetzelfde als het aantal mensen dat buiten het arbeidsproces staat. Een aanzienlijk deel van de WIA-gerechtigden combineert een uitkering met inkomen uit werk. De absolute stijging van het aantal uitkeringen is bovendien mede het gevolg van een sterke toename van de arbeidsdeelname en de stijging van de AOW-leeftijd. Niet iedereen wordt gezond oud en kan doorwerken. Niettemin is de arbeidsparticipatie de laatste jaren aanzienlijk toegenomen, ook onder ouderen.

De toename van het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen heeft dan ook niet geleid tot een toename van de overheidsuitgaven voor arbeidsongeschiktheid als aandeel van het bbp. Er is geen sprake van dat de overheidsfinanciën ontsporen door de WIA. In Europees perspectief liggen de uitgaven voor arbeidsongeschiktheid rond of net boven het gemiddelde.

Breng premie en uitkering in balans

De rijksbegroting laat juist iets heel anders zien: de inkomsten uit de premies voor arbeidsongeschiktheid, de zogenoemde AOF-premie, zijn veel hoger dan de uitgaven. Sinds de invoering van de ‘Zalmnorm’ worden de uitgaven- en inkomstenkant van de begroting strikt van elkaar gescheiden. Hierdoor bestaat er geen directe relatie meer tussen de inkomsten uit sociale zekerheidspremies en de uitgaven voor uitkeringen en re-integratie.

De lasten op arbeid zijn voor werkgevers nu veel hoger dan de uitgaven voor arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. Er valt veel voor te zeggen om premie en uitkeringslast weer meer aan elkaar te koppelen en daarmee de Zalmnorm los te laten. Een lagere premie verlaagt de arbeidskosten voor werkgevers en is een directe stimulans om mensen in dienst te nemen. Daarbij kan tevens worden overwogen om de premiegrondslag te verbreden. De WIA zou stap voor stap moeten worden omgevormd tot een brede volksverzekering, die niet alleen werknemers maar ook zelfstandigen – dus alle werkenden – verzekert. Dit vermindert de tweedeling op de arbeidsmarkt tussen goed en slecht verzekerde werkenden.

Eerlijker én eenvoudiger

Het verbeteren en vereenvoudigen van de WIA is iets anders dan het versoberen ervan. Een rechtvaardig stelsel biedt inkomenszekerheid aan mensen die niet of niet langer in staat zijn om te werken. NSC had in haar – door het CPB doorgerekende – verkiezingsprogramma voor 2026-2030 een verhoging opgenomen van het wettelijk minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen, waaronder de WIA-uitkeringen. Daarmee zou de afhankelijkheid van toeslagen worden verminderd. Tegelijkertijd wilden we de zwaar opgepompte arbeidskorting verlagen, in combinatie met lagere belastingtarieven voor zowel werkenden als niet-werkenden.

Ook wilden we de drempel voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering verlagen van 35 naar 25 procent. Daarmee werd tegemoetgekomen aan de kritiek van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) op de invulling die Nederland geeft aan internationale verplichtingen. Daarnaast trokken we een half miljard euro per jaar uit voor de reparatie van hardheden in de sociale zekerheid: kleinere maatregelen die de complexiteit verminderen en veel kunnen betekenen voor zowel uitvoerders als uitkeringsgerechtigden.

Mensen met resterend arbeidsvermogen hebben niet alleen verplichtingen nodig, maar ook een reëel recht op ondersteuning. De WGA bevat stevige financiële prikkels voor mensen om hun arbeidsvermogen aan te spreken, maar weinig stimulans voor werkgevers om hen daadwerkelijk aan het werk te helpen. Er moet daarom meer ruimte komen voor aangepast werk en ondersteuning op de werkplek, al in de eerste twee jaar van ziekte.

Voor veel gedeeltelijk arbeidsgeschikten ligt passend werk niet bij de oude werkgever, maar mogelijk wel bij een andere werkgever of in een andere sector. NSC wilde daarom de no-riskpolis structureel maken voor werkgevers die mensen in dienst nemen die langdurig ziek zijn of een arbeidsbeperking hebben. Hierdoor wordt het voor werkgevers aantrekkelijker om mensen met een ‘vlekje’ aan te nemen en komt ook deze groep makkelijker aan een baan. Ook wilden we de periode van loondoorbetaling bij ziekte voor kleine werkgevers beperken tot maximaal één jaar. Voor kleine werkgevers is het risico op ernstige verstoring van de bedrijfsvoering door langdurig zieken nu eenmaal groter.

Een rechtvaardige WIA vraagt ten slotte om een sterke vereenvoudiging. De huidige wetgeving kent verschillende uitkeringsregimes, ingewikkelde berekeningen en harde grenzen. Om het stelsel overzichtelijker te maken stelde NSC, in navolging van OCTAS, in het verkiezingsprogramma voor om de karige vervolguitkering in de WGA na vijf jaar af te schaffen. In plaats daarvan zou in de eerste uitkeringsjaren beter bepaald moeten worden wat iemand qua werk nog wél kan.

Ook het samenvoegen van de WGA en de IVA draagt bij aan vereenvoudiging. De duurzaamheid van de uitval is voor het UWV in de praktijk namelijk moeilijk vast te stellen. Vanwege de inkomenseffecten voor IVA-gerechtigden, die nu 75% van het oude loon ontvangen, kan deze maatregel echter alleen onderdeel zijn van een totaalpakket dat méér inkomenszekerheid biedt aan mensen die niet meer kunnen werken. Ook moeten bestaande uitkeringen worden gerespecteerd.

De WIA moet eenvoudiger én eerlijker worden. Alleen zo voorkomen we dat een uitvoeringsprobleem uitgroeit tot een nieuwe crisis voor de bestaanszekerheid van kwetsbare burgers en van vertrouwen in de overheid.

schrijf je in voor onze online nieuwsbrief

Ontvang de nieuwste artikelen, opiniestukken, podcasts en columns als eerste in je mailbox. Meld je aan voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief!

Schrijf je in