De opkomst en neergang van Nieuw Sociaal Contract levert een merkwaardige tegenstelling op. In 2023 wist een nieuwe partij in korte tijd twintig zetels te behalen. Twee jaar later was vrijwel al die steun verdwenen. Daar kan je natuurlijk allerlei verklaringen voor geven: de kabinetsdeelname, interne conflicten, gebrekkige organisatie en een weinig overtuigende verkiezingscampagne speelden allemaal een rol. Maar daarmee wordt de belangrijkste vraag niet beantwoordt: waarom herkenden zoveel mensen zich in 2023 wél in NSC en later niet meer?
De belofte van 2023
Het antwoord begint bij de politieke betekenis van Pieter Omtzigts optreden in de jaren daarvoor. De toeslagenaffaire liet zien wat er kan gebeuren wanneer een individuele burger tegenover een machtig en gesloten systeem komt te staan. Omtzigt maakte zichtbaar dat een volksvertegenwoordiger zo’n systeem ter verantwoording kon roepen. Daarmee vertegenwoordigde hij iets groters dan alleen de slachtoffers van de toeslagenaffaire.
Veel kiezers herkenden daarin hun eigen gevoel van machteloosheid. Zij beschikken niet over lobbyisten, zitten niet aan overlegtafels en bewegen zich niet in de bestuurlijke, politieke en maatschappelijke netwerken waar invloed wordt uitgeoefend. Zij wonen bijvoorbeeld in de regio, zijn afhankelijk van publieke voorzieningen, hebben een klein bedrijf of lopen vast bij een overheidsinstantie. Deze mensen zagen in NSC een mogelijkheid om hun belangen opnieuw te laten doordringen tot het politieke debat. Ze hadden weer de hoop om gehoord te worden.
Dat was naar mijn mening de werkelijke belofte van NSC.
Juist daarom is het problematisch dat de partij na 2023 steeds meer onderdeel werd van de wereld die zij wilde veranderen. De interne organisatie kende problemen, de samenwerking tussen partij, fractie en bewindspersonen verliep moeizaam en tijdens de verkiezingscampagne was het niet duidelijk waarom iemand nog op NSC moest stemmen. Tegelijkertijd werd binnen de partij gezocht naar de eigen ideologische identiteit.
Misschien werd daarbij de verkeerde vraag gesteld. De verkiezingsuitslag van 2023 had immers al duidelijk gemaakt wie NSC vertegenwoordigde.
Goed bestuur voor wie?
Dat brengt mij bij een van de centrale begrippen van NSC: goed bestuur. Het klinkt vanzelfsprekend positief, maar dat is het niet. Want wat is goed bestuur en, belangrijker nog, vanuit wiens perspectief beoordelen we dat?
Een regeling kan voor een ministerie logisch en efficiënt zijn en voor een burger volkomen onbegrijpelijk. Een overheidsorganisatie kan volgens alle procedures correct functioneren, terwijl iemand tussen verschillende instanties vermalen wordt. Een inspraakprocedure kan bestuurlijk uitstekend georganiseerd zijn, terwijl degenen met de meeste tijd, kennis en organisatiekracht uiteindelijk het grootste gehoor vinden en de uiteindelijke keuze bepalen.
Goed bestuur moet daarom niet in de eerste plaats worden bekeken vanuit de bestuurskamer, maar vanaf de andere kant van het loket.
De keuze voor NSC
Daar ligt de politieke toekomst voor NSC. De partij kan weliswaar proberen een keurige bestuurspartij te worden die binnen het bestaande politieke landschap een nieuwe positie zoekt. Maar het alternatief is veel interessanter: opnieuw kiezen voor mensen die wel de gevolgen van politieke besluiten ondervinden, maar nauwelijks betrokken zijn bij de totstandkoming daarvan.
Dat betekent niet dat NSC een anti-overheidspartij moet worden. Integendeel. Juist wie gelooft in publieke instituties moet willen dat die instituties ook functioneren voor mensen zonder machtige netwerken, professionele belangenorganisaties of directe toegang tot Den Haag.
NSC hoeft daarvoor niet opnieuw uitgevonden te worden. De kern lag was er al in de doorbraak van 2023: democratische macht terugbrengen naar mensen die wel door besluiten worden geraakt, maar niet vanzelfsprekend aan tafel zitten wanneer die besluiten worden genomen.
De belangrijkste vraag voor NSC is daarom niet of de partij links, rechts of ergens in het midden moet staan. De wezenlijke keuze is vanuit welke kant zij naar politiek en bestuur wil kijken. Goed bestuur begint niet in de bestuurskamer. Het begint bij de vraag hoe die bestuurskamer eruitziet door de ogen van iemand die er nooit wordt uitgenodigd.