Terug

Westelijke Balkan – Waar ga je heen?

Op 7 september van dit jaar [2026], werd de veroordeelde oorlogsmisdadiger Ratko Mladic in Belgrado begraven. Een officiële staatbegrafenis mocht het van de EU niet worden, de Servische president Vucic was dan ook niet aanwezig. Wel zijn zoon Danilo en veel ministers uit de Servische regering, waaronder de minister van defensie, als ook politici uit het Servische gedeelte van Bosnië en Herzegovina en de Russische ambassadeur in Belgrado.

Duizenden Serviërs vulden de straten van Belgrado om de voormalige commandant van het leger van de ‘Republika Srpska’ de laatste eer te bewijzen,  voor hen is hij nog steeds een held. Dezelfde man, die in door Kroaten en Bosniakken bewoonde delen van Bosnië  ‘de slager’ genoemd werd en die door het Joegoslavië Tribunaal In Den Haag in 2017 vanwege genocide en misdaden tegen de menselijkheid tot levenslange gevangenisstraf werd veroordeeld. [i]

De begrafenis van Mladic zorgde voor hoofdpijn bij EU-commissieleden en ambtenaren in Brussel. Sinds 2012 is Servië namelijk officieel kandidaat-lid, het land is o.a. interessant voor de EU vanwege het bezit van strategische grondstoffen zoals Lithium.

Vucic en zijn ploeg beweren serieus aan het toekomstige EU-lidmaatschap van Servië te werken, maar doen dat in de realiteit halfslachtig. Hervormingen, vooral op het gebied van democratie en rechtsstaat, blijven achter en ook het buitenlands beleid van Servië ligt niet op EU koers. Vucic is herhaaldelijk in Moskou geweest, weigert Rusland te boycotten en de invasie van Oekraïne te veroordelen. Hij wil de oude Servische vriendschap met Rusland niet in gevaar brengen.

Maar exact hier ligt het probleem voor Brussel: na de oorlogen in de jaren 90, stelde men, nog in shock van de toenmalige oorlogen op de Balkan, alle staten van het voormalige Joegoslavië een EU-lidmaatschap in het vooruitzicht. Vooral in de toen zwaar getroffen gebieden van Bosnië-Herzegovina en Kroatië betekende deze belofte veel voor de burgers. Het leidde tot de diepe overtuiging, dat zij, als zij en hun politieke elites maar hun best zouden toen, binnen enkele jaren terug zouden mogen keren in de schoot van de Europese familie. Want Europa was de plek waar alle volkeren van het voormalig Joegoslavië, voor het uitbreken van de oorlogen in de jaren 90, hun toekomst zagen. Joegoslavië, het land dat nooit lid van het oostblok was en met zijn eigen variant op het socialisme het zogenaamde arbeiders-zelfbestuur voor de meerderheid van zijn inwoners relatieve vrijheid, inspraak en welvaart wist te creëren, rekende zich tot Europa.

Ook bij de inwoners van Servië leefde in de vroege jaren 80 deze gedachte. Er ontstond zelfs een beweging, die ervoor pleitte om de cyrillische schrijfwijze (het Servisch kan cyrillisch en latijn geschreven worden) af te schaffen, om integratie richting Europa makkelijker te maken.

Maar toen gebeurde er iets anders: in september 1986, werd in een Servische krant het ‘memorandum’ van de ‘Servische academie voor wetenschap’ gepubliceerd. De Servische academie ontkende lang dat het document van hen afkomstig was, pas tien jaar later verscheen het alsnog officieel, echter zonder dat de auteurs werden genoemd. Het memorandum was een beschouwing op de situatie van de Joegoslavische staat met een kernthema: de situatie van het Servische volk erin. Het kwam erop neer dat het Servische volk in Joegoslavië gediscrimineerd en onderdrukt zou zijn en dat voor het geval dat Joegoslavië als staat niet overeind zou blijven, er alles aan gedaan zou moeten worden om ervoor te zorgen dat alle Serviërs[ii] in een staat zouden worden verenigd.

Vervolgens werd dit document de ‘blue-print’ voor politieke en militaire ontwikkelingen in Joegoslavië, gebruikt door Servische politici zoals Slobodan Milosevic en militairen zoals Ratko Mladic om nationalistische doelen na te streven. Het legde de basis voor de veroveringsoorlogen van het door Serviërs gedomineerde Joegoslavische leger en Servische (Para-) militaire groepen in Kroatië en Bosnië-Herzegovina. De nationalistische theorie van het memorandum viel in de Servische maatschappij, die destijds meer dan andere delen van Joegoslavië onder een enorme economische misère gebukt ging, in vruchtbare aarde.

De herinneringen aan de oorlogen die volgden zijn in Servië duidelijk anders dan in Kroatië en Bosnië-Herzegovina: Servië kende geen algehele mobilisatie omdat er voldoende Servisch kader uit het Joegoslavische leger was en voldoende vrijwilligers uit de Republika Srpska. De Servische civiele bevolking heeft dan ook nooit directe gevolgen van de oorlogen ervaren, behalve gedurende de NAVO bombardementen op Belgrado in 1999 [iii] en een tekort aan bepaalde producten als gevolg van economische sancties. Het besef dat het Servische nationalisme de hoofdmotor achter de verschrikkingen van de jaren 90ig was, is dan ook in vele delen van de bevolking in Servië tot de dag van vandaag niet ingedaald. Het officiële narratief ziet het Servische volk dan ook nog steeds als slachtoffer van de gebeurtenissen uit de jaren 80 en 90 en niet als mogelijke agressor.

De vraag die velen in Europa zich stellen is in hoeverre het wenselijk is om zo een land lid te laten worden van de Europese Unie, terwijl in de lidstaten zelf het thema uitbreiding op grote scepsis stuit.

Inmiddels zijn Slovenië (2004) en Kroatië (2013) lid van de EU. En alle overige landen van het voormalig Joegoslavië (met uitzondering van Kosovo) EU-kandidaat lidstaten. Hun ontwikkelingen ten opzichte van toetreding (integratie van EU-wetgeving in nationale wetgeving, implementatie van Copenhagen criteria etc.) verloopt echter in verschillende snelheden. Wil men ten opzichte van het toetredingstraject geloofwaardig blijven, zou men alle staten uit het voormalig Joegoslavië individueel moeten beoordelen. Op dit moment maakt het kleine Montenegro met iets meer dan 600.000 inwoners de beste kans om in 2028 lid te worden.

Maar de aandacht van de EU voor de Westelijke Balkan lijkt gezien al de overige gebeurtenissen in de wereld (voorop de Oekraïne oorlog) te verslappen en dat zou gevaarlijk kunnen uitpakken. Niet alleen dat Rusland en China via economische activiteiten vooral in Servië al lang een voet tussen  de achterdeur van Europa hebben. Nu mengt zich ook de Trump administratie in de Westelijke Balkan door Amerikaanse bedrijven te pushen, onder veronachtzaming van lokale wet- en regelgeving.

Sinds het Dayton Akkoord dat een einde maakte aan de oorlog in Bosnië Herzegovina, trokken de EU en de VS gezamenlijk op over de toekomstige EU integratie van de Westelijke Balkan. Hier lijkt nu een einde aan te komen. Deze zomer culmineerde het in een ruzie tussen de VS en Europa over de benoeming van de volgende High-Representative in Bosnië, een functie die uitkomst is van het Dayton Akkoord en die verreikende bevoegdheden heeft om in de Bosnische politiek in te grijpen. [iv]

Het Dayton Akkoord maakte van Bosnië-Herzegovina een politiek complexe staat, waar hervormingen niet mogelijk lijken zonder correcties op onderdelen van het akkoord. In de actuele situatie durft echter niemand deze ‘doos van Pandora’ te heropenen…

Een ‘package deal’, die alle landen van de Westelijke Balkan in een keer EU lid zal maken, is nog nooit serieus besproken. Dit zou echter kunnen voorkomen dat toekomstige leden, eenmaal lid, de toetreding van andere landen uit de regio uit eigen belang belemmeren.

Ook zou een gelijktijdige toetreding van Servië en Bosnië Herzegovina de ambities van de Republika Srpska om zich van Bosnië af te splitsen en zich aan te sluiten bij Servië, kunnen verminderen.

In de EU zit niemand te wachten op een Rusland-gezinde regering zoals die van Alexander Vucic (het jarenlange politieke debacle met de Hongaar Orban zit nog vers in het geheugen) of op een potentieel instabiel land als Bosnië-Herzegovina.

Echter Europa heeft weinig keuze: iedere vertraging op de West-Balkan zorgt ervoor dat andere spelers gaan besluiten hoe de toekomst van deze achtertuin van Europa eruit komt te zien…..

 

[i] Mladic werd o.a. veroordeelt omdat hij commandant was bij de inname van de beschermde enclave Srebrenica, waar vervolgens rond 7000 mannen en jongens werden deporteert en vermoord en de bijna vier jaar durende belegering van de Bosnische hoofdstad Sarajevo.

[ii] Grote aantallen van Serviërs wonden destijds in gebieden van Bosnië-Herzegovina en Kroatië.

[iii] Na de verdrijving van naar schatting 600.000 Albanezen uit Kosovo besloot de NAVO in 1999 tot beperkte bombardementen op Servië.

[iv] De zogenaamde ‘Bonn-power’ stellen de High Representative o.a. in de gelegenheid om wetten op te leggen of af te schaffen en gekozen ambtsdragers af te zetten.

schrijf je in voor onze online nieuwsbrief

Ontvang de nieuwste artikelen, opiniestukken, podcasts en columns als eerste in je mailbox. Meld je aan voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief!

Schrijf je in